Uit de Kerkenraad, Maart 2017

Voor alles is een tijd 

Een donker woud

Sinds de Divina Commedia van Dante zijn er heel veel mensen midden in hun leven plotseling in bos verdwaald en dat beeld van het bos is sinds die tijd heel populair geworden en gebleven.

‘Ook ik ben omstreeks ’t midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud.’

Dat zegt Henriëtte Roland Holst in 1912, dus 600 jaar later dan Dante, maar die kom je ook in de moderne literatuur nog tegen, ik denk aan Marcel Mörings trilogie waarvan onlangs het derde deel Eden uitkwam.

In mijn geval is identificatie met woorden ‘het midden mijner dagen’ misschien wat al te optimistisch en ‘levens donker woud’ is me weer te zwaar, maar zowel Dante als ‘Tante Jet’ spelen door mijn hoofd nu ik me in het grote bos van het scribaat heb gestort. Allereerst zijn er veel afko’s die me niets zeggen, of juist wel, maar dan zonder dat ik weet waarvan het een afkorting is. Sommige tikken al tientallen jaren tegen mijn trommelvlies, maar ik heb ze gewoon genegeerd; dat kon namelijk, maar nu niet meer. Of ik loop nog met termen rond die al ver over hun houdbaarheidsdatum blijken te zijn. En dan al die knooppunten in het kerkelijke bouwwerk. Ik weet heus wel dat wie eenvoud predikt een bedrieger is, maar de kerkelijke structuren zijn toch complexer dan ik voor mogelijk had gehouden. Intussen draagt het gemak waarmee anderen de daarbij passende termen hanteren, bij aan mijn bewondering voor hen, maar het is iets minder goed voor mijn persoonlijk welbevinden. Toch is het minder verontrustend dan het allemaal lijkt. Allereerst mopper ik graag, ten tweede is deze kerkelijke wereld het huis waar ik al jaren te gast ben, alleen lijken de deuren de andere kant op te draaien dan ik dacht. Dat went snel, denk ik. En, ten derde, veel mensen nemen mij liefdevol bij de hand en dat kon Henriëtte Roland Holst niet zeggen toen ze dichtte:

maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd

den weg uit smart en twijfel, noch gedragen

omhoog, en geen hemelsche oogen zagen

neer op mij […]’

Gemeenteberaad en actieplan

Ronduit bemoedigend, en dat mag iedereen zich aantrekken, was de deelname aan het gemeenteberaad van 19 en 22 februari. Niet alleen omdat er al met al zo’n 80 mensen aan deelnamen, maar ook omdat er zoveel moois uit de gesprekken kwam. Een werkgroepje van de kerkenraad heeft de boel geordend, prioriteiten gesteld, de nu nog even al te concrete voorbeelden eruit gezeefd om vervolgens een actieplan op te stellen. Dat actieplan was gespreksonderwerp van de kerkenraad van 20 maart.

We moeten ons daarbij niet iets heel revolutionairs voorstellen, want we kunnen ons nog steeds goed vinden in de Reisgids van een paar jaar geleden. Wel wordt duidelijk dat we ons op een paar punten meer moeten profileren. Wij zijn een gemeenschap met een sterke cohesie tussen mensen van verschillende leeftijden en met variërende interesse, noem ons maar een gezinskerk. Dan is de opdracht om aan dat gezinskarakter recht te doen door met een verscheidenheid aan activiteiten te komen voor verschillende groepen, op verschillende momenten en op verschillende manieren, maar wel overzichtelijk en herkenbaar graag. Intussen moeten jongeren de weg naar Tuindorpkerk kunnen en willen vinden.

Dat betekent ook dat we merkbaar investeren in die verschillende groepen en tegelijkertijd moet de kerk herkenbaar zijn en iets te bieden hebben, als Tuindorpkerk, voor de gemeenteleden, voor mensen die een kerk zoeken, voor de wijk, voor de stad en voor mensen ons nodig zouden kunnen hebben.

Daarvoor moet onze communicatie helder en duidelijk zijn. Allereerst in de ontmoeting maar ook in de manier waarop we aan de gemeenteleden en aan derden laten zijn wat er allemaal gebeurt. Op technisch gebied is veel mogelijk, zoveel zelfs dat we daar nog meer aandacht aan zullen moeten besteden.

Een aantal kerkenraadsleden vond het allemaal nogal vaag klinken. Dat wordt anders. Eerst pikken we de punten eruit waaraan we verder aandacht moeten besteden. Die worden uitgewerkt. Wat doen we wel, wie doen dat, wat hebben we daarvoor nodig, op welke termijn moet daar iets van zichtbaar zijn. Dat is het gesprek dat de komende maanden in de kerkenraad en in de werkgroep gevoerd wordt, en ook met de PGU (dat is de Protestantse Gemeente Utrecht, waaronder wij ressorteren). En dan moet er in september een jaarplan op tafel liggen, dat weliswaar behapbaar is maar waarin we ook echt onze tanden moeten zetten, om het jaar daarop de eerste duidelijke resultaten te zien. Om tot een goed jaarplan te komen zullen we royaal gebruik kunnen maken van de punten van het gemeenteberaad.

Voor alles is een tijd

Over nog veel meer ging tijdens de kerkenraadsvergadering, over lief en leed, over zoiets simpels als het vervoer van ouderen voor de kerkdienst, en over geld ging het ook, maar dat zal niemand verbazen. Er was kortom voor alles een tijd op de agenda van deze vergadering. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Johan Jansze opende met Prediker 3, vers 1 tot en met 8.

De loftrompet

Gisteravond ging ik nog even bij hem langs, maar hij was er niet. Hij leeft een uithuizig bestaan en dat is veelzeggend. We zien hem wel eens als hij leest of zingt in de kerk, maar als hij naar boven is gelopen om ons, kerkbezoekers, te tellen – en dat doet hij één voor éen en hij vergeet er geen) − wordt hij al minder zichtbaar. Helemaal onzichtbaar is hij als hij met een ladder op zijn schouder van de pianokant naar de kruiskant loopt. Rond het grote kruis hangen kleine kruisjes, die van de overledenen en die van de dopelingen. Ze hangen er een jaar. Die kruisjes zijn gemaakt door de man die ongezien de trap op klautert om ze daar aan de muur te hangen of, een jaar later, vanaf te halen. Vele tientallen zijn het er in de loop van de jaren geweest. En dat is allemaal in stilte gebeurd. Leen Wijbrans, de dader, wordt intussen al een jaartje ouder en daarom lijkt het me goed als hij zijn conditie ook mede op peil kan houden door veel vaker kruisjes op te hangen, en met het oog op toekomst moeten we net als bij het actieplan ook hier keuzes maken en ons beperken tot de geboortekruisjes.

Hartelijk dank, Leen, en moge je aan het werk blijven.

Len Borgdorff

scriba