Wat hebben we elkaar te bieden?

De Kerkenradendag van 7 oktober, Alleen het woord al… Ker-ken-ra-den-dag.

Aan de spelling van dit woord zijn niet alleen veranderende taalregels voorafgegaan maar ook wisselende wereldbeelden. 25 Jaar geleden zou ik leerlingen misschien verteld hebben dat het kerkeraadsdag had moeten zijn, of anders kerkeradedag, maar geen kerkeNradeNdag, want als het eerste deel van de samenstelling een enkelvoud kan zijn om de samenstelling te rechtvaardigen, dan schrijf je het zonder –n. Dus omdat je voor deze raad maar één kerk nodig hebt, schrijf je kerkeraad. Die regel is in 1997 veranderd: als het eerste deel een meervoud kán hebben met –n, dan schrijf je die ook, dus kerkeNraad. Je zou, sociaal-psychologisch, kunnen zeggen dat het verkieslijk is om een meervoudsvorm boven een enkelvoud te stellen, maar zover zijn de politiek-kerkelijke verhoudingen in Utrecht nog niet, al gaat het wel die kant op. En hedendaagse spelling blijkt in dit opzicht ook voorspellend te zijn.

De grotere samenstelling maakt dat nog duidelijker: het is een kerkenradeNdag. Een dag die bestaat bij de gratie van het meervoud zou je zeggen, in het enkelvoud zou het eerder kerkenraadsdag geweest zijn, een dag waarop de raad van één kerk de hei op gaat. Maar dat is hier niet het geval. De dag op 7 oktober bestond bij de gratie van het meervoud. Dat bedacht ik onderweg naar de Wijkplaats. Dat is de plaats waar vroeger de Vredeskerk stond en die nu vooral bevolkt wordt door mensen die in het verleden de Pniëlkerk bezochten, maar waar intussen een zwerm jongeren is neergestreken die dat verleden amper meer kennen. Dat moet niet uitgelegd worden als een gebrek aan historisch besef maar als een teken van hoop, lijkt me. Het merendeel van de bezoekers dat de Wijkplaats op zondag bezoekt, is jonger dan veertig, maar dat krijg ik pas te horen als ik mijn regenjas heb uitgetrokken en me mag warmen aan een kop koffie.

Dan wordt ons ook verteld dat de Vredeskerk (nu dus Wijkplaats) gebouwd werd op de plaats waar vroeger een kruitfabriek stond. Ik moet meteen denken aan de uitvinder van het dynamiet, Alfred Nobel, die naamgever werd van de belangrijkste vredesprijs die de wereld kent. Maar, veel gepaster, ook aan Jesaja die ons vertelt dat zwaarden zullen worden omgesmeed tot ploegijzer, van Kruitfabriek tot Vredeskerk. En dat wij daarvan iets mogen ervaren in een Wijkplaats die ons opvangt vanuit het gewoel van de wereld, om ons vervolgens met het juiste gereedschap weer terug te laten gaan naar diezelfde wereld. Zo begon deze dag dus zwaar van symboliek, maar droog en met koffie en met veertig mensen die de protestantse kerken in Utrecht vertegenwoordigden.

Wij van de Tuindorpkerk waren er met zijn vijven. Ik zeg het met trots: de Tuindorpkerk was het ruimst vertegenwoordigd. Jawel. Aan de hand van posters vertelden we elkaar wat voor kerk we waren en wilden zijn en lieten we ons bevragen. Nieuwe voorzitter Friso ging in op vragen en opmerkingen rond de Tuindorpkerk, de andere vier lieten zich lustig door andere kerken bepraten. Ik noteerde in mijn notitieboekje het volgende.

Blossom, een lagedrempelkerk, een soort huisgemeente, die al negen jaar draait en waarin allen voor alle mogelijke functies in aanmerking kunnen komen. Ik verlangde naar vroeger toen Mente en ik deel uitmaakten van zo’n ‘huisgemeente’, wat zich overigens goed liet combineren met een kerkelijk lidmaatschap. Dat geldt ook voor Blossom. Die negen jaar maakte indruk, en de gedachte aan een soort kloosterleven ook.

En dan de Jacobikerk, met zijn indrukwekkende lezingen en zijn drie diensten op zondag die altijd vol zijn, zo’n vierhonderd mensen, de Jacobi: pionier en traditie en jeugd. Prachtig! En dan ook nog per drie weken enkele tientallen gespreksgroepen naar aanleiding van een preek. Maar er is ook een gespreksgroep voor (aspirant-) kerkverlaters!

En dan de Haven op Kanaleneiland, een christelijke plek in een multiwijk, die voorzichtig een plek wil zijn die mensen in de wijk kan binden. Spannend.

En wat ervoer Friso in zijn gesprekken met anderen over de Tuindorpkerk? Die was met zijn vijf kerkenraadsleden het ruimst vertegenwoordigd die dag. Maar vreemd genoeg vond men ons de onbekendste kerk van de stad. Ook met die informatie moeten we iets doen.

Naderhand vroeg Friso me wat er bij herhaling door mijn hoofd was gegaan die dag. Dat waren twee noties: de kerk bestaat in kringen, niet in de eerste plaats door de zondagse dienst, maar door wat de gemeenteleden aan gemeenschap ervaren in de verschillende kringen. En het tweede: voer met elkaar het geloofsgesprek. ‘En hoe zit dat bij jou?’ vroeg ik op mijn beurt de kersverse voorzitter van onze kerkeNraad. ‘Bij het rondje door de kerk viel me op dat er activiteiten in andere gemeenten zijn, waar we mooi op zouden kunnen aansluiten. Zoals de leerhuizen van het Johannescentrum of ‘kind op schoot’ bij de Janskerk.’

In Utrecht is een kerkelijke Gideonsbende actief: vanuit verschillende optieken en door verschillende kerken wordt gezocht naar nieuwe wegen om in te slaan.

René Grotenhuis zette hoopgevende lijnen neer voor de toekomst. De kern van zijn betoog sloot aan bij wat die dag ook al rondzong: ga het geloofsgesprek aan met elkaar en met onze omgeving en kijk van daaruit wat voor organisatie je nodig hebt.

Zelf bleef ik hangen bij één opmerking. Tegenover de hedendaagse mens als iemand die wat rondbanjert op deze aarde om dan vervolgens in het niet te verdwijnen, als toevallig product van het nachtelijk samenzijn ooit van een man en een vrouw, stelt Grotenhuis de aankondiging van de geboorte van een mens door een engel. Voor minder doen we het niet, voor minder hoeven we het ook niet te doen. ‘Predictor wordt Annunciatie,’ schoot het door mijn hoofd. In mijn notitieboekje vatte ik Grotenhuis’ verhaal samen met ‘Gewilde mensen met een missie.’

Om twee uur verlieten wij de Wijkplaats. Het was droog. Ik moest via een ander stel kleren naar zoonlief om hem te helpen met zijn verhuizing. Hij en zijn hulptroepen hadden vast niet op me gewacht. Dat was een geruststellende gedachte: het meeste werk was waarschijnlijk al gedaan. Alweer een voordeel van een meervoud. Ik mocht het op deze zevende oktober niet alleen horen en zien, maar ook aan den lijve ervaren.

Len Borgdorff