Gedachtenis dhr. Bovenberg en Mevr. Pouwer en Bakker

Gedachtenis de heer Bovenberg
Zeer onverwacht overleed op 1 maart de heer Jan Bovenberg. Hij werd 93 jaar. Al heel lang waren meneer en mevrouw Bovenberg lid van de gemeente van de Tuindorpkerk. Ook na hun verhuizing naar het woonzorgcentrum d’ Amandelboom in Bilthoven bleven ze betrokken en vierden ze via internet de kerkdiensten met ons mee.
In zijn werkzame leven heeft meneer Bovenberg de toen nog Gereformeerde Kerken gediend. Met anderen zette hij een bureau op, waar de plaatselijke kerken een beroep op konden doen. Zijn zoon Wim noemde hem een analoge computer. Hij registreerde de zaken feilloos en legde ze nauwgezet vast. Dankzij een geweldig geheugen bewaarde hij het overzicht en was een vraagbank voor predikanten en professoren. Hij beschouwde zijn werk niet als een baan, maar als roeping en was altijd beschikbaar. Van zijn grote inzet en verantwoordelijkheidsgevoel werd ook wel eens, zeker achteraf gezien, te veel gevraagd. Wanneer in een plaatselijke Gereformeerde Kerk ergens in Nederland een predikant niet kon voorgaan, werd meneer Bovenberg op het laatste moment gebeld met de vraag op welke predikant een beroep gedaan kon worden. Hij noemde dan altijd een naam van een voorganger die gevraagd zou kunnen worden.
Vanwege zijn verzetswerk in de oorlog had meneer Bovenberg de onderscheiding Ridder in de Orde van Oranje-Nassau ontvangen. Misschien dat daarom ook de woorden van gezang 398 die geschreven zijn door de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, hem aanspraken. Bonhoeffer schreef het lied aan het eind van 1944, toen hij zelf gevangen zat. Drie weken voor het einde van de oorlog werd hij op bevel van Hitler door ophanging terechtgesteld. De dreiging en het vertrouwen die uit het gezang spreken, zijn voor meneer Bovenberg herkenbaar geweest. Zouden de Duitsers hem hebben gearresteerd, hij zou zijn leven niet zeker zijn geweest. In het gedicht legt Bonhoeffer zich niet neer bij de stilte van de intense verlatenheid en bij het diepe zwijgen van de dood. Hij komt tot een belijdenis waarin meneer Bovenberg zich herkende: “In goede machten liefderijk geborgen / verwachten wij getroost wat komen mag. / God is met ons des avonds en des morgens, / is zeker met ons elke nieuwe dag.”
68 waren meneer en mevrouw Bovenberg getrouwd. 78 jaar kenden ze elkaar al. “Alsof een deel van jezelf is afgescheurd”, zo wordt de pijn wel onder woorden gebracht door achtergebleven parners. In de eenzaamheid die nergens uitkomst ziet, mogen wij ons bij Bonhoeffer aansluiten en getroost verwachten wat komen mag. Als wij het vertrouwen op God niet hadden!

Gedachtenis mevrouw Bakker
In het bijzijn van haar beide kinderen overleed op 5 maart mevrouw Neeltje Aaltje -Nel- Bakker. Op 12 maart zou ze 61 jaar geworden zijn. Ze was erg ziek. De kankertumoren hadden zich door haar hele lichaam verspreid. 10 jaar geleden werd er longkanker bij haar vastgesteld, waaraan ze destijds geopereerd kon worden. De artsen hebben toen gezegd dat haar ziekte terug zou komen. Daarom heeft ze de afgelopen 10 jaar ervaren als een toegift, als een cadeau dat ze in grote dankbaarheid heeft aangenomen. Toen de ziekte daadwerkelijk terugkwam en ze te horen kreeg dat behandeling niet meer mogelijk was, is ze hiermee, vertelden vriendinnen, op een strijdvaardige en bewonderenswaardige manier omgegaan. Ondanks haar verdriet en pijn bleef ze sterk en opgewekt.
Ze heeft in haar leven meerdere tegenslagen te verwerken gekregen, maar het leven heeft haar nooit klein kunnen krijgen. Toen ze al wat ouder was, heeft ze in haar eentje in Utrecht weer een bestaan moeten opbouwen. Ze moest contacten leggen en werk zien te vinden. Een van haar sterke punten was, dat ze goed mensen aan zich kon binden. Op advies van haar tante ging ze op zoek naar een kerk in de buurt gezocht en ze vond de gemeenschap van de Tuindorpkerk. Ze kreeg vriendinnen en werd actief in de commissie Zending en Werelddiakonaat. Daarnaast was ze 13 jaar lang kosteres bij de kerkdiensten in het Diaconessenhuis. Zo kon heel direct uit de hoek komen. Recht voor zijn raap kon ze de dingen zeggen, waarvan ze de uitwerking ook weer met humor kon verzachten.
Over haar ziekte zei ze vaak: “Het is, zoals het is.” Ze had een sterk vertrouwen op een nieuwe toekomst bij God, maar ze had verdriet om haar zoon en dochter die ze moest loslaten. Ze kon niet met haar kinderen huilen, wat ongeneeslijk zieke moeders vaker niet kunnen. Met een vriendin huilde ze wel om hen van wie ze zielsveel hield. Ook in het afscheid wilde ze een baken voor hen zijn. Ze wilde hun verdriet verlichten door rust en vertrouwen uit te stralen.
De psalm die we aan haar ziekbed lazen, hebben we ook in de afscheidsdienst gelezen: Psalm 23. Deze woorden lazen we als een gebed. Voor haar kinderen is het overlijden van hun moeder een groot verlies. Hun levens waren hecht met elkaar verweven. Om haar in de laatste fase van haar leven bij te staan zijn ze met hun gezinnen weer in Nederland komen wonen. In het donker dal van rouw en verdriet mogen ze in het gebed ervaren, wat hun moeder troostte en moed gaf. Ze zijn niet alleen. De Heer, onze God, zal bij hen zijn. Zijn stok en staf, zij zullen hun moed geven.

Gedachtenis mevrouw Pouwer
Op 17 maart overleed mevrouw Tannetje -Tanny- Pouwer. 8 maart nog vierde ze haar verjaardag. Ze is 86 jaar geworden. Ze groeide op in het Zeeuwse dorp Gapinge, waar haar ouders een boerderij hadden. Op haar twintigste vertrok ze naar Amsterdam, waar ze bij een Gereformeerde organisatie werkte in de opvang van jongeren. Al vroeg kreeg ze een grote verantwoordelijkheid te dragen, wat haar goed afging. In het Diaconessenhuis in Arnhem rondde ze haar opleiding tot verpleegkundige af en werd ze wijkverpleegkundige in Wageningen. Later ging ze naar Utrecht en werkte ze bij de Sociaal Psychologische Gezondheidszorg aan de Biltstraat. Ze woonde op Kanaleneiland en was ook als ambtsdrager actief in de Triumfator kerk. Haar ouders heeft ze tot het einde van hun leven kunnen verzorgen.
In de loop van de jaren nam de gezondheid van Tanny af en namen haar beperkingen toe. Ze vond het verschrikkelijk, die afhankelijkheid en machteloosheid waarmee ze geconfronteerd werd. In haar verantwoordelijke