Laat komen uw koningschap

Laat al uw schepselen u loven, Heer,
en uw getrouwen u prijzen.
Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,
spreken over uw machtige werken. (Psalm 145: 10 en 11)

En hij (Jezus) zei: “Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad
uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad
ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.” (Marcus 4: 26 en 27)

Getuigen van het koninkrijk
Psalm 145 roept op om te getuigen van het koningschap van God. De gelijkenis die Jezus vertelt, is zo’n getuigenis waar deze psalm om vraagt. Maar ook de psalm zelf wil meer zijn dan een oproep om te vertellen over Gods koningschap. Hij geeft ons een beeld van hoe God koning wil zijn en wat ons in Zijn rijk gegeven zal worden. Genade en liefde, geduld en trouw typeren het koningschap van God en Zijn koninkrijk zal er vol van zijn. Met Zijn gelijkenis benadrukt Jezus dat ook het komen van het koninkrijk een proces is van Gods genade en liefde, van Zijn geduld met en Zijn trouw aan ons.
Iedereen die Jezus deze gelijkenis hoorde vertellen en zelf voedsel verbouwde, begreep dat na het zaaien het opkomend gewas ook beschermd moest worden tegen onkruid en droogte. Maar ze wisten ook, dat hoe ze hun best ook deden, uiteindelijk het groeiproces zelf een wonder was, dat buiten hen omging.

Geen ontslag
Jezus vertelt de gelijkenis niet om ons te ontslaan van iedere inzet en activiteit voor het koninkrijk van God. Zoals iedereen die op het land werkte om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en Jezus hoorde vertellen, heel goed wist dat er hard gewerkt moest worden om de oogst te laten lukken, zo wisten ze ook dat ze recht moesten zoeken en niets dan recht om gerechtigheid te kunnen oogsten. God nodigt ons niet uit om in het gras te liggen wachten, totdat de oogst binnen is. “Leer goed te doen”, zegt God in Jesaja.
Maar er zijn ook situaties, waarin we het goede doen en het kwade oogsten of waarin het goede dat we doen ons al bij de handen afbreekt. We maken situaties mee waarin onze reserves op zijn en we ons leeg en verslagen voelen. Soms is het leven een overleven geworden. Dan dreigt ons vertrouwen in God om te vallen. Een duwtje is genoeg: “Geloven in God? Dat doe je toch niet meer? Dat is iets van vroeger.”

Gods werk
In zulke omstandigheden komt Jezus ons met Zijn gelijkenis te hulp. Geloven in God is niet iets van gisteren. Geloven in God houdt in dat we ons niet gek laten maken door vandaag. We gaan niet mee met de trotse denktrant dat wij weten, hoe het zit met Gods grootheid en goedheid. We houden “de wegen naar het wonder” open. Ook al weten we niet hoe, maar God blijft zich ontfermen over heel Zijn schepping. Zijn koninkrijk ontkiemt en schiet op, even vanzelf als het zaad dat op het land werd uitgestrooid. Wat we ervan merken is, dat we in God een steun kunnen vinden, wanneer we zijn gevallen. Wanneer we gebukt gaan, omdat we onze last niet kunnen wegdenken, richt Hij ons op. God is buiten ons om aan het werk om ons Zijn koninkrijk binnen te leiden. We mogen ons toevertrouwen aan Zijn stille en stage ontferming.

Ds. P.J. Rebel