Wat er voor ons overblijft

“Bij de Heer is genade, bij Hem is bevrijding altijd weer.” (Psalm 130: 7)

Geknapte snaren
Tijdens de voorbereiding van een preek stuitte ik op een anekdote, waarvan er op het internet verschillende versies te vinden zijn. Het verhaal laat zich inhaken op onze ervaring dat het menselijk bestaan nooit perfect en volmaakt is. We hebben allemaal onze problemen, lijden door onze kwetsbaarheid, gaan gebukt onder onze vergankelijkheid. De viool waarmee we de symfonie van het leven spelen en volbrengen, raakt beschadigd.
Want in ons leven knappen snaren. We moeten dromen opgeven. Onze persoonlijke mogelijkheden reiken niet zo ver als we hoopten. Door ingrijpende gebeurtenissen beseffen we opeens, hoe machteloos we in veel omstandigheden zijn. De wonden die ons in het verleden zijn toegebracht, blijven pijn doen. Het lukt ons niet om ons te bevrijden uit de greep van negatieve gedachten over onszelf. We weten geen raad met de onverwachte gevolgen van de keuzes die we maakten. Schuldgevoelens achtervolgen ons.
We leven met geknapte snaren. De vraag waarop wij in deze situatie een antwoord moeten zien te vinden, is de volgende: Hoe gaan we om met wat imperfect en onvolmaakt is in ons leven en in ons samenleven?

Het verhaal
De volgende anekdote over de violist Isaac Perlman probeert ons een weg te wijzen.
Tijdens een concert dat Perlman geeft, gaat er iets mis. Plotseling knapt één van de snaren van zijn viool. Het is duidelijk hoorbaar voor het publiek. Iedereen verwacht dat Perlman opstaat om een nieuwe snaar of een andere viool te gaan halen. Maar de violist blijft zitten, sluit zijn ogen en wacht een kort moment. Daarna geeft hij de dirigent het teken om door te gaan en de muziek daar weer op te pakken, waar het orkest en hij gebleven zijn.
Het is onmogelijk om de solopartij in een muziekstuk op een viool met drie snaren te spelen. Maar die avond weigert Perlman om zich hierbij neer te leggen. Hij speelt de sterren van de hemel. Het is alsof hij het stuk tijdens het spelen in zijn hoofd opnieuw componeert. De mensen luisteren ademloos.
Wanneer het stuk gespeeld is, blijft het even stil, maar dan springt iedereen op en juicht hem toe. Na een tijdje vraagt Perlman om stilte en zegt hij bedachtzaam: “Weet u, soms is het de taak van de artiest om uit te vinden, hoeveel muziek je kunt maken met dat wat je nog hebt.”

Psalmmuziek blijft over
We moeten leven met geknapte snaren en muziek zien te maken met wat er voor ons nog overblijft. Hoe openen we ons leven met al die gekapte snaren, weer voor het goede, voor verzoening, voor heling, voor dankbaarheid, voor vreugde, voor zelfvertrouwen, voor hoop, voor liefde? We kunnen deze reeks inkorten en de vraag stellen: Waar vinden we genade?
We kunnen altijd beginnen met de muziek die we al hebben en dat is de muziek van de psalmen. De psalmen geven ons terug wat het knappen van de snaren van ons afneemt. Ze brengen ons terug naar de genade van de Eeuwige, onze God.

Onverbrekelijke genade
Voor de dichter van psalm 130 lijken alle snaren geknapt te zijn. Hij bevindt zich in de diepte, waar een mens het gevoel heeft dat niet alleen de snaren maar dat het instrument zelf gebroken is. We bevinden ons in die diepte, wanneer we onszelf gebroken en ten einde raad voelen, wanneer “niets van mijn gebeente nog heel is”. (Psalm 38: 4b) Het enige wat de dichter van de psalm nog rest, is de roep waarmee zijn lied begint: “Uit de diepte roep ik tot u, Heer.” (Psalm 130: 1) Deze roep is een roep om genade. Een roep die hij richt tot God. Zijn roepen tot God is een hopen op God, zoals zijn hopen op God een roepen tot God is. Dat is hij wat hij in de diepte heeft overgehouden. Hij bezit nog het vertrouwen dat God hem zal horen. Daarom roept hij: “Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade.” (Psalm 130: 2)
Hoeveel snaren er in ons leven ook knappen, één snaar zal nooit breken. Door zijn genade is God met ons verbonden. “Bij de Heer is genade, bij hem is bevrijding, altijd weer.” (Psalm 130: 7) Wanneer we blijven hopen op God, staan we zelfs in de diepte niet met lege handen. We hebben Zijn genade nog.
Ds. P.J. Rebel