Met gesloten ogen

Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.” (1 Korintiërs 13:10)

Woordje
Nabestaanden vroegen mij of ik “een woordje wilde spreken” in de uitvaartdienst van hun vader die op 68-jarige leeftijd totaal onverwacht in zijn slaap was overleden. 

 10 jaar geleden, na het afscheid van hun moeder, had hun vader opgemerkt: “En toch mis ik een woordje.” Wat hij had gemist, was dat iemand vanuit het christelijk vertrouwen iets gezegd had, dat hem in zijn verdriet hadden kunnen troosten en sterken.
De kinderen vonden tussen de spullen van hun vader een briefje waarop hij het volgende gedicht van Jean Pierre Rawie had overgeschreven:
Maar vroeg of laat / verschijnt het land
dat elk verstand / te boven gaat
Word ik volmaakt / opnieuw ontmoet
wie ik voorgoed / was kwijtgeraakt.”

Uitgedaagd
Jean Pierre Rawie is een dichter uit Groningen, een domineeszoon, die in een interview zegt dat hij zelf niet meer gelooft. Toch doet hij in dit gedicht en ook in andere gedichten hetzelfde, als wat het christelijk geloof doet. Hij daagt de dood uit. Voorbij de eindigheid en het zwart van de dood gaat hij op zoek naar eeuwigheid en licht. Tegenover de pijn en het verdriet van het verlies plaatst hij de troost van het weerzien.
In de eerste strofe kijkt Rawie uit naar “het land dat elk verstand te boven gaat”. Jacqueline van de Waals spreekt in haar gedicht “Wat de toekomst brenge moge” (NLB 913) over “het onbekende land”. In de tweede strofe verbindt Rawie het volmaakte, dat zal komen, met het weerzien van hen die door de dood van ons gescheiden werden. In het land dat elk verstand te boven gaat, ontmoeten we opnieuw onze naasten die we door de onherroepelijke dood waren kwijtgeraakt.
Het verlangen kennen we allemaal. Het maakt Jean Pierre Rawie tot één van de populairste dichters van ons land. Op rouwkaarten en in rouwadvertenties wordt er regelmatig uit zijn werk geciteerd. Maar durven we er ook in te geloven?

Gekend
Geloven is een heen en weer reizen tussen drie stations.
De ene keer weten we het zeker. Het is allemaal inbeelding. In werkelijkheid is met de dood alles afgelopen. En er bestaat geen God die met Zijn kracht tegen de onoverwinnelijke dood op kan.
Dan weer vermoeden we het. Er moet iets zijn. Iets dat voorbij de mysterieuze dood reikt.
En soms vertrouwen we het. Het gaat ons verstand te boven, maar we belijden: “mij geleidt des Heren hand; moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land”.
Jean Pierre Rawie schrijft in zijn gedicht onbevanger over een leven na dit leven, dan Paulus in zijn brieven. De apostel zwijgt over een weerzien na de dood. Maar Rawie benut wel de ruimte die Paulus geeft. De apostel schrijft: “Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.” (1 Korintiërs 13: 12b) Als God ons kent, kent Hij ook degenen om wie wij rouwen. Wie kan zeggen wat in het kennen van de Eeuwige mogelijk en onmogelijk is?
Mogen we spreken van een “opnieuw ontmoeten” of belooft Rawie ons te veel? Geen mens kan het zeggen. Daarom schreef Jacqueline van de Waals haar gedicht dat eindigt met deze regels: “Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand, loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land.” Niet alles is te zien met open ogen en met een op scherp gezet verstand. Soms zien we meer, wanneer we onze ogen gesloten houden en ons door ons vertrouwen op God, de Vader, laten leiden.
Ds. P.J. Rebel