Preek: Identiteit en Interesse

Wat is dit? Een hamer. Althans: zo noemen we dit voorwerp. Maar wat is het? Wat heeft het te betekenen?

Om het antwoord op die vraag te vinden, menen sommige filosofen, moet je de timmerwerkplaats binnen lopen. Daar kun je de timmerman aan het werk zien. In zijn hand houdt hij dit ding vast en hij slaat daarmee verbindingspennen in dikke eikenhouten planken die daardoor steeds meer op een boekenkast beginnen te lijken. Eigenlijk moet je even die timmerman worden, om echt te begrijpen wat een hamer is. Maar let op! Als we op deze manier proberen te ontdekken wat dit voorwerp, dit werktuig, eigenlijk is en te betekenen heeft, gebeurt er iets opmerkelijks. We richten onze aandacht gaandeweg NIET meer zozeer op dit ene ding, maar op de omgeving, op de context, op de wereld waarin de hamer hamer is. Onze simpele beginvraag (wat is dit?), valt nu niet meer kort en bondig te beantwoorden. Het is een heel verhaal geworden.

En nu nog iets moeilijker: wie is dit?
Okke Wisse. Dat wist u al of u heeft het kunnen lezen op de liturgie.
Maar wie is Okke Wisse? Ik zal u de feiten besparen, maar gelooft u mij: deze mens is meer dan de feiten alleen.
Misschien kan de filosofie ons ook nu verder helpen. Om een antwoord te vinden op de vraag ‘Wie is dit?’ moeten we de wereld, de werkplaats, binnenstappen waarin deze mens mens is. En als we dat zouden doen, zou er opnieuw iets opmerkelijks gebeuren: onze aandacht zou zich niet meer beperken tot alleen maar deze ene mens, maar onze aandacht zou als vanzelf uitgaan naar alles en iedereen waarmee deze mens betekenisvol verbonden is. Ook een goed antwoord op de vraag wie Okke Wisse is, wordt dan een heel verhaal.

Maar er kruipt een addertje onder het gras. Want stel nou eens voor dat u in de zoektocht naar wie ik ben, uitsluitend oog zou hebben voor de wereld waarin ik betekenis heb … Op den duur zou ik dan toch een beetje gaan protesteren. Natuurlijk mag u mijn leefwereld onderzoeken, maar ik hoop wel dat u uiteindelijk weer bij mij uitkomt. Want ik wil niet zomaar opgaan of samenvallen met wat ik voor deze en gene beteken. Jazeker, ik ben onlosmakelijk verbonden met de wereld waarin ik mens ben, en die wereld bepaalt mij zeer, maar er is ook iets aan mij dat niet zomaar met die wereld samenvalt of erin opgaat. Er is iets aan mij dat ik als het ware in die wereld heb binnengebracht en dat ik er ook weer uit kan halen. Mijn zelf. Mijn ziel. Mijn eigennaam. Hoe je het ook noemt.

Het onderwerp van deze zondag luidt: IDENTITEIT
Het kwam in mij op toen ik weer eens braaf en werklustig besloot mij aan het leesrooster van deze zondag te houden. Het slot van het boek Ester, dat hier de afgelopen weken is gelezen, was vandaag aan de beurt. En Ester is een Bijbelboek over identiteit. De identiteit van het joodse volk. En hoewel je kunt betwijfelen of het boek Ester in alle opzichten goed afloopt, is de boodschap wel duidelijk: volgens het Bijbelboek Ester mag de joodse identiteit er voluit en openlijk zijn. Ze mag geleefd en getoond worden. Gevierd in het Poerimfeest, met veel lekkernijen en kabaal. En ze mag als het nodig is ook verdedigd worden. Zelfs met gepast geweld. Het boek Ester pleit voor een zichtbare, hoorbare en strijdbare identiteit.

Er was nog een tweede reden die het onderwerp op mijn agenda zette. De zogenaamde Nashville-verklaring die enkele weken geleden in ons land voor veel commotie heeft gezorgd. Het rumoer is inmiddels alweer geluwd, maar ik las wel dat er een aangepaste en mildere versie gaat komen. U herinnert zich vast nog wel wat er aan de hand was. Een kleine orthodox-christelijke minderheid onderschreef publiekelijk een van oorsprong Amerikaans document waarin stelling wordt genomen tegen de geest van deze tijd op het gebied van seksuele geaardheid en gender identiteit. Dat die kleine minderheid daar moeite mee had was al lang bekend. Maar toch was er na de publicatie van de verklaring rumoer en hier en daar stevige verontwaardiging.
Van een goede vriend die al jaren getrouwd is met een andere man, las ik op facebook een boze reactie: ‘Dit soort uitlatingen’, schreef hij, ‘passen niet in onze tijd!’
Toevallig ging ik die week bij hem en zijn man op bezoek en we kwamen tijdens het eten over het onderwerp te spreken. Natuurlijk is het hen duidelijk dat ik geen Nashville ondertekenaar ben. En juist daarom had ik de ruimte om het een beetje voor mijn orthodoxe christenbroeders en zusters op te nemen. Ik zei tegen mijn goede vrienden: Wat mij betreft past hun uitlating wel degelijk in onze tijd. Want in onze tijd, mag ik hopen, kun je je openlijk uitspreken over wat je denkt en mag je ook voor jezelf opkomen als je het gevoel hebt dat jouw identiteit in het gedrang komt.
Maar het is een manifest van veroordeling! Protesteerden mijn vrienden.
Ja, gaf ik toe, zo leest het wel, maar ik denk dat die kleine orthodox-christelijke minderheid in Nederland vooral iets anders onder woorden probeert te brengen. De ondertekenaars geloven werkelijk en oprecht dat je ware aard als mens, je echte identiteit, veilig en onveranderbaar in Gods liefdevolle scheppingsmacht besloten ligt. Met dit manifest willen ze zeggen: Wij geloven dat niet ik en dat niet jij bepaalt wie een mens ten diepste is, maar wij geloven dat God dat doet. En als mensen zich gaan gedragen als hun eigen scheppers, dan ligt er verwarring en vervreemding op de loer. En die verwarring en vervreemding denken we ook volop om ons heen te zien. Mensen weten soms niet meer wie ze zijn. Het zou, in onze ogen helpen, als mensen weer zouden geloven dat God ons met een vaste identiteit heeft geschapen. God weet wie wij zijn.

Zo, met ongeveer die woorden, probeerde ik het orthodox christelijke manifest wat uit te leggen aan mijn vrienden en ik had nog een stapje verder kunnen gaan. Ik had namelijk ook kunnen opbiechten dat ik als betrokken pastor wel eens iets verkondig dat een beetje op het orthodoxe standpunt lijkt. Tegen een gelovige maar suïcidale TBS-patiënt kan ik bemoedigend en troostend zeggen: Wat jij ook hebt misdaan, hoezeer je ook van het pad bent afgeraakt, en al ben je totaal in verwarring en weet je niet meer wie je bent, je mag geloven dat God jou kent en dat Hij weet dat je meer bent dan je delict en je wanhoop.

Oké. Even ter controle: u volgt mij nog wel hoop ik? Ik ben dus zeker geen ondertekenaar van de Nashvilleverklaring, maar ik snap wel iets van de gedachtegang, van de geloofswereld, van de orthodox-christelijke identiteit die er achter schuil gaat. Die is mij bekend en zelfs als pastor enigszins vertrouwd.

Maar nog los van dit alles vind ik, of eigenlijk constateer ik, dat het bekendmaken van dit standpunt, wel degelijk PAST in onze tijd. Want dat ‘passen in onze tijd’, zou ik zo ver mogelijk willen oprekken. Ten gunste van onze orthodox-christelijke minderheid, maar ook ten gunste van de LHBTI-gemeenschap, en evenzeer ten gunste van de allermeeste orthodoxe of salafistische moslims in ons land. Eigenlijk zou ik bijna iedereen willen oproepen om, binnen enige perken, openlijk voor de dag te komen met zijn of haar ideeën over het leven, de samenleving en de mens. Want het alternatief, dat de overtuigingen waarin minderheden hun identiteit vinden, al te lang verstopt blijven in huis- of slaapkamers of heimelijke leerschooltjes, of verborgen trainingskampen en gebedslokalen, lijkt mij niet wenselijk. Ondanks het gedoe dat openheid met zich meebrengt, gaat mijn voorkeur er naar uit dat elke identiteit zich, als het even kan, vertoont en laat kennen in de publiekelijke ruimte. Want alleen daar kan er iets bijzonders gebeuren. Daar krijgt die in zichzelf gekeerde identiteit als vanzelf met een nieuwe dimensie te maken. De dimensie van de ander, van de vreemdeling, van degene die verbaasd, of verbijsterd of zelfs gekwetst reageert.
Precies, zeiden die twee getrouwde mannen tegen mij: ze kwetsen ons. Ja, antwoordde ik. Dat is waar. Maar beter dat ze jullie kwetsen, dan dat ze het allemaal voor zichzelf houden. Ook kwetsen is een vorm van contact maken. Nee, niet als je het hebt over die vieze vuile enzovoort… En ook niet als je elkaar gaat demoniseren, vernederen of ‘najagen’, zoals men dat tegenwoordig in ons parlement placht te zeggen. Maar wel als je probeert te formuleren of openlijk te tonen wie jij bent, wat jij denkt en wat je voelt over iets dat ons allen aangaat. Zelfs als dat kwetsend beleefd kan worden. Als de LHBTI gemeenschap op feestelijk versierde boten in de grachten van de hoofdstad dansend en soms uitdagend gekleed de trommels slaat, maakt ze daarmee een einde aan het angstige en/of veilige verdonkeremanen van de minderheidsidentiteit. Ze opent de gordijnen, ze komt uit de kast, krachtig, provocerend, misschien voor sommigen ook kwetsend, maar in al die openheid zelf ook kwetsbaar. En zo doet de SGP-voorman dat op zijn wijze ook. Krachtig, provocerend, kwetsend maar zeker ook kwetsbaar, want blijkbaar bereid om de reactie, zelfs die van Lucky teevee, te incasseren. Ja, denk ik, dat past allemaal in onze tijd, in onze cultuur, in onze publieke ruimte. Al is het lastig.

Op één punt ben ik het trouwens met de Nashville-ondertekenaars van harte eens. Mensen hebben last van verwarring. Weten of ontdekken wie je bent wordt er met alle opties en mogelijkheden niet eenvoudiger op. Als u de Volkskrant of de NRC leest weet u dat de Amsterdamse cultuurfilosoof Coolen in het veel voorkomende ‘burn-out’-gevoel, een vorm van existentiële uitputting herkent. Hij wijst erop dat in onze tijd het verwerven en in stand houden van een identiteit een behoorlijke opgave is.

Maar weinig nieuws onder de zon. Ook voor onze Bijbelse Ester is identiteit een hele opgave. Ze leeft in verschillende werelden met even verschillende verwachtingen, codes en loyaliteiten. Het is een klassieke voedingsbodem voor existentiële uitputting. De aanvankelijke oplossing van Ester om met dit probleem om te gaan, wordt direct duidelijk in het verhaal: Ester houdt -op advies van haar oom Mordechai nog wel- haar joodse identiteit verborgen. Niemand aan het hof weet dat ze tot het joodse volk behoort. En Ester zorgt er voor dat je het ook niet aan haar merkt, zelfs niet aan haar tafel, kook en eetgewoontes.
Maar dan verandert er iets. Het joodse volk wordt met uitroeiing bedreigd en nu doet oom Mordechai een dringend beroep op haar: Kom tevoorschijn! Verberg je niet langer in dat veilige paleis. Laat zien wie je bent. Spreek je uit! Wordt jezelf!
Het kan niet anders of Ester is die avond en misschien ook wel die nacht bij zichzelf te rade gegaan. Wie ben ik eigenlijk? Ik ben koningin, maar ook Jodin. Ik woon in een veilig paleis, maar dat paleis staat wel midden in onveilige wereld. Ik behoor tot de macht, maar ook tot de minderheid. Ik ben een vrouw, maar doe mee in een mannenwereld. Wie ben ik? En welke verantwoordelijkheid wil, kan, moet ik dragen?
Esther zoekt het antwoord niet alleen door zich naar binnen te keren. Ze keert zich ook naar buiten. Ze gaat etentjes organiseren en de eettafel lijkt wel symbool te staan voor de spannende confrontatie met de andersdenkende, de vreemdeling, de vijand. Ester gaat zich openlijk tonen, ze gaat positie innemen. Ze begint iemand te worden.
En God ondertussen? Die lijkt in het verhaal niet voor te komen. Zijn naam wordt nergens genoemd. Maar misschien lezen we niet goed genoeg. Tussen de regels door, of eigenlijk tussen de mensen door, is God misschien wel degelijk aanwezig.

De joodse denker Martin Buber vermoedt dat God aanwezig is, in de zogenaamde tussen-ruimte die mensen enerzijds met elkaar verbindt en anderzijds van elkaar onderscheidt. En die tussen-ruimte van Buber, verbreedt de filosofe Hannah Arendt tot de publieke ruimte die zij inter-esse noemt, ‘tussen zijn’. In die sfeer, in dat ‘zijn’ tussen mensen, vindt de confrontatie, de ontmoeting en de dialoog plaats. Verbinding en verschil gaan daar samen op.

De gedachte dat God zich juist in die inter-esse laat gelden, spreekt mij zeer aan. Ik ben zelfs geneigd om te denken dat Zijn Bijbelse naam daar op wijst: Ik ben die ik ben of Ik zal er zijn. Ik lees dat zo: niet dit is God, niet dat is God… maar eerder is God tussen dit en dat, tussen jou en mij. En als we er zo over denken, krijgt de tussen-ruimte, de inter-esse een soort van goddelijke status. Ze wordt een heilige ruimte, een sfeer waar geen enkel mens en ook geen enkele groep mensen, geen meerderheid en geen minderheid de baas is over de ander. Een soort niemandsland waar mensen door de ontmoeting en de dialoog met elkaar ‘iemand’ kunnen worden.
Dat klinkt, in ieder geval in mijn oren, inspirerend en ik voel er inderdaad iets heiligs bij, maar die tussen-ruimte, dat niemandsland, moet, om werkelijk iets voor te gaan stellen, wel betreden worden… ze moet het bonte toneel worden waar mensen zich aan elkaar gaan tonen en bekendmaken. Kijk, als de tussen-ruimte steriel zou blijven, onbewoond en maagdelijk leeg, dan gebeurt er helemaal niets. Dan is ze een soort gedemilitariseerde zone tussen twee of meer vijanden. En dan is God niet meer dan een hemelsblauw gehelmde VN-soldaat die ervoor zorgt dat er geen confrontaties kunnen plaats vinden. Maar dat is wat mij betreft geen inspirerende en hoopgevende voorstelling van zaken.

We kunnen er denk ik niet om heen: die heilige tussen-ruimte, moet ingevuld en betreden worden. Ze moet als het ware ontheiligd worden. Ze moet de plek worden waar onze identiteit getoond gaat worden, zichtbaar gemaakt, hoorbaar, voelbaar. De seksuele geaardheid mag er een roze kleur krijgen, de verontrusting een kwetsend manifest, de eeuwenoude leefstijl van een volk een carnavalesk poerimfeest, het vertrouwen in Jezus een visje op je auto, het groeiende moslimbewustzijn een hoofddoek of een baard … Ja zelfs mag de nationalistische identiteit daar zichtbaar en hoorbaar worden in een mars onder wapperende vaandels. Van dat laatste schrikt u misschien. Ik ook. Maar het is wellicht beter zo, dan dat die vaandels jarenlang in donkere kelders onweersproken aan kracht winnen.

De tussen-ruimte is het speel- en temperveld voor de spanningen en verschillen die binnen een samenleving bestaan. Zelfs kwetsend contact moet daar binnen de spelregels en grenzen van de wetgeving mogelijk zijn. En de dialoog mag er op het scherpst van de snede gevoerd worden. Dat allemaal, omdat het zo belangrijk is dat gelijkgezinden uit hun naar binnen gekeerde gelijkgezindheid tevoorschijn komen en zich tonen aan anderen en vreemden. Provocerend en kwetsbaar tegelijk. Je zou de tussen-ruimte de werkplaats van de mens kunnen noemen. Daar wordt zijn identiteit gevormd, daar ziet hij als relationeel wezen pas werkelijk het levenslicht omdat hij op anderen, op vreemdelingen stuit, die zijn identiteit betekenis geven en veranderen. Nogmaals, omdat het zo mooi klinkt: in dit niemandsland wordt een mens pas ‘iemand’.

Maar er is één belangrijk voorbehoud. Die publieke sfeer, die tussenruimte, functioneert niet als alles wat er klinkt en blinkt niet meer dan een echo is. Een echo van je eigen ego...
Voorbeelden te over: De echo van de virtuele werkelijkheid die je zelf kunt programmeren. De echo van de YouTubefilmpjes die je eerste voorkeur bevestigen en versterken. De echo van je facebook account met wel 1000 vrienden maar geen enkele vreemde. De echo van de grote woorden die de ander tot zwijgen willen brengen of angst willen inboezemen. De echo van een zo extreme, uitbundige of radicale presentatie van je eigen identiteit dat er geen ruimte overblijft voor de ander. En tenslotte de echo van het religieuze oordeel: wat jij doet en wie jij bent is in Gods ogen fout en moet dus eigenlijk veranderen of verdwijnen.

Helaas heb ik geen goede orthodoxe vrienden waar ik op bezoek kan gaan om een hapje te eten, maar als ik ze zou hebben zou ik hen tijdens het eten misschien de woorden uit Lukas 6 hebben voorgelegd. Die identiteit van jullie, dat rotsvaste geloof dat God de waarheid over ieder mens barmhartigheid in zich meedraagt, betekent dat ook niet, dat je als medemens niet te snel moet oordelen over een ander?

En ik zou ze ook nog een andere vraag hebben voorgelegd en die deel ik nu maar met u: Hoe verhoudt God zich nu precies tot het menselijke gedoe en vertoon in de publieke ruimte?
Kijk, aan de ene kant brengen mensen hun Godsgeloof en hun Godsbeelden de publieke ruimte binnen. Ze tonen er openlijk hun geloofsovertuiging en vragen er aandacht voor: ze zeggen als het ware: Kijk, dit is onze God. En dit is wat Hij van ons wil of vraagt of verwacht. En anderen dragen weer een ander Godsbeeld binnen en vragen daar de aandacht voor. Zo botst in de publieke sfeer het ene Godsbeeld op het andere. Of… zo botst het Godsbeeld op een mensbeeld dat naar geen enkele hogere macht wil verwijzen.
In deze zin maakt God gewoon deel uit van het menselijke gedoe en vertoon.
Maar ik denk dat Buber iets anders op het spoor is. God wordt niet alleen in allerlei varianten en verbeeldingen vertoond en gepresenteerd in de publieke ruimte, maar Hij maakt die vertoning ook mogelijk. Er is als het ware sprake van een God boven de Godsbeelden.
Dat klinkt vaag, maar het komt toch in mij op als ik mij één van de moeilijkste vragen stel die ik ken. En die luidt: Wat is nou precies het draagvlak dat de ontmoeting tussen mij en de Ander mogelijk maakt? Op basis waarvan kan die ontmoeting er zijn? Dat gezochte draagvlak behoort niet tot mijn wereld, want mijn wereld is niet de zijne. En dat gezochte draagvlak behoort ook niet tot zijn wereld, want zijn wereld is niet de mijne. En onze wereld, die is er niet. Want wij zijn de Ander voor elkaar, de vreemdeling, de onbekende. Maar toch: iets moet ons verbinden. Ons verbinden, bedoel ik, in de gezamenlijke ervaring van onderlinge vreemdheid, andersheid en onbekendheid. Zonder die gezamenlijke vreemdheidservaring (ik ben anders dan jij en jij bent anders dan mij) kan er geen ontmoeting en dialoog plaatsvinden. Het draagvlak dat ik zoek moet zoiets zijn als een uitnodigende of appelerende leegte tussen ons in. Een leegte die we allebei binnen willen gaan. Op hoop van zegen. Een onbetreden gebied dat niet van mij is en niet van jou.

Ik zie, een beetje simplistisch voorgesteld, excuus daarvoor, God als de beheerder van het niemandsland dat tussen ons in ligt. Het niemandsland waar geen mens de baas is, maar dat wel door mensen mag en moet worden ingevuld als een bont en luidruchtig toneel van vertoning en bekendmaking, van confrontatie en dialoog. Maar telkens opnieuw, stel ik mij voor, maakt God die ruimte weer leeg en vrij. Alsof Hij ons allemaal even de kamer uitjaagt, om de tafel van de dialoog schoon te vegen. Alsof God ons even terugstuurt naar onszelf, zodat het ‘inter-esse’ kan worden gereinigd, geheiligd en ons vrij en leeg weer kan uitnodigen om binnen te treden, met al ons gedoe en al ons vertoon. Kortom een voortdurend proces van heiliging, ontheiliging, heiliging en weer ontheiliging.

Herinnert u zich het addertje nog onder het gras? Ik zei: als u wilt weten wie deze mens is moet u de wereld, de werkplaats binnenstappen, waar deze mens mens is. Die werkplaats zijn we ons voor gaan stellen als de publieke ruimte. Daar in die tussenruimte krijg en heb ik pas werkelijk betekenis, daar word ik in relatie en confrontatie met anderen gevormd, daar word ik IEMAND. Maar ik wil niet samenvallen met mijn betekenissen, ik wil ook iemand zijn met een eigennaam los van mijn betekenissen. Daarvoor moet ik zo af en toe vanuit de publieke ruimte weer terug naar mijzelf. Om zo weer even aan mijzelf te zijn overgeleverd. Om bij te komen, om tot mijzelf te komen. Om te verwerken wat ik heb gehoord, gezien, meegemaakt in de ontmoeting en confrontatie met de Ander. En in mijn wat kinderlijke fantasie ruimt God dan ondertussen de werkplaats op. Hij maakt die weer helemaal schoon en leeg, vrij en heilig, zodat het niemandsland zich weer wijds en onbetreden tussen ons uitstrekt, als een winterlandschap van vers gevallen sneeuw. Maar niet voor lang ligt het er zo onberoerd bij, want het appel dat er van uit gaat is te krachtig: treedt binnen en ontdek dat er een wonderbaarlijk draagvlak is voor de ontmoeting en de dialoog met de Ander, met de Vreemdeling, ja zelfs met de vijand.

Pleit ik hier niet voor een nieuwe religie? Een religie waarin het gaat over een God die boven de Godsbeelden staat. Een God die van niemand is. Een God die juist in zijn tussen-zijn nooit tussen-mensen-in kan komen te staan.
Misschien een beetje wel, maar de God die ik op spoor denk te zijn komt me wel bekend voor.

Sjema Israel, hoor Israel, de Heer is onze God. Hij heeft ons bevrijd uit het slavenhuis van echo’s en ego’s en ons geleid naar het land van inter-esse. Vertoon dan u zelf, in alles wat u kleur en kraak en smaak kan geven, maar (!) maak van uw God geen dit en geen dat.
Heb uw naaste lief als u zelf…
Veroordeel niet…
Zoek en vindt uzelf, maar nooit los van wie u vreemd is… Heb uw vijanden lief.
Want de Heer uw God is één, maar Zijn hart juicht om het kleinste verschil.
Want de echo is de dood en de Ander is uw leven.

Amen