Muren opbouwen, muren afbreken

Overdenking door Bas van den Berg 

Proloog

‘Je leeft verborgen in jouw wereld

Gesloten poorten, stad van steen,

Al zou ik zingen tot de ochtend

Ik kom er met geen stem doorheen

Want het vuur begint te doven

En het huis wordt langzaam koud

Ik kan de muur niet breken

Ik kan de muur niet breken

Ik kan de muur niet breken

Die jij rond je hebt gebouwd ‘

Bescherming en afscheiding

Dit lied van Stef Bos laat in zijn eenvoud en scherpte horen dat mensen en groepen voor elkaar onbereikbaar kunnen zijn, opgesloten kunnen zitten in hun eigen bastion, met hoogstens kijkgaten naar de wereld van de ander. Het woord ‘muur’ kan zowel materieel als ook figuurlijk worden opgevat: als muren die mensen kunnen optrekken voor anderen die niet gewenst zijn, bedreigend zijn. De genealogie van het woord laat zien dat er twee kanten aan de medaille zitten. Aan de ene kant: muren bieden bescherming tegen vijanden, beschutting tegen gevaar en veiligheid voor kwetsbare mensen. Aan de andere kant roept het woord ‘muur’ associaties met afscheiding, afrastering en buiten sluiten op. Die bescherming en afscheiding kunnen zowel fysiek als psychisch ervaren worden, en zowel tussen personen in een kleine kring als tussen groepen in een samenleving (Vergelijk het artikel in kring 1).

Opbouwen en afbreken

De geschiedenis laat zien dat muren kunnen worden opgebouwd en ook weer worden afgebroken, hoewel het laatste veel meer tijd en energie vergt dan het eerste. Ervaring leert dat muren opgetrokken worden als belangen tussen groepen zo sterk uiteenlopen, dat het beschermen van de belangen van de machtige groep het buiten sluiten van een ander groep rechtvaardigt. Zo snel als macht in het spel komt, en angst wordt gezaaid in de media, worden mentaal muren opgetrokken en vervolgens materieel gebouwd. Achille Mdembe laat in een indringend boek over de ontmenselijking en uitsluiting van zwarte medemensen door Europa tussen de 15e en de 21e eeuw zien, hoe dat bouwen van muren ter rechtvaardiging van kapitalisme, kolonialisme en racisme desastreus heeft uitgewerkt voor miljoenen mensen van kleur (Mdembe, 2015).

In deze bijdrage wil ik de beide betekenisvelden rond ‘muren’ richten op het proces van het uiteengaan van joodse gemeenschappen en vroegchristelijke gemeenschappen in de periode van 70 – 100 van de gebruikelijke jaartelling. Muren worden daarin opgetrokken, terwijl de kern van de boodschap in het NT is dat muren met de komst van Jezus zouden worden afgebroken. Dit heftige proces van afscheiding heeft zijn weerslag gekregen in de diverse Geschriften van het Tweede Getuigenis (Evangeliën, Handelingen, Brieven en de Openbaring van Johannes). We zoomen voor deze bijdrage in op een parabel in de Evangeliën, die in drie versies is overgeleverd, de gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers (Mc 12,1-12, Mt 21:33-46 en Lc 19:9-19).

In deze gelijkenis wordt het beeld van een ‘wijngaard’ gebruikt als beeld van de cultureel-sociale en religieus-sociale gemeenschap. Het beeld van de ‘wijngaard’ is een van de twee typerende vormen van beeldspraak in de bijbel waarin het symboolwoord ‘muren’ in zijn beschermende en afscheidende functie wordt gebruikt.

Bijbelse beeldtaal

In de bijbelse beeldtaal is het woord ‘muren’ zowel verbonden met het woord ‘stad’ als met het woord ‘wijngaard’. De ambiguïteit van het symboolwoord is in beide gevallen te onderkennen. Muren van steden kunnen zowel bescherming bieden tegen indringers als ook groepen van elkaar afscheiden. Eenzelfde dubbelzinnigheid is te onderkennen in het spreken over de wijngaard. Een muur van gestapelde stenen kan zowel wilde dieren als indringers tegenhouden, als ook bescherming bieden aan de eigenaars van de grond. In sociale, existentiële en religieuze zin worden relaties tussen mensen en God, tussen mensen onderling en tussen gemeenschappen ook in termen van stad en wijngaard gekwalificeerd.

Een sterke stad en zijn muren

In Jes 26: 1-3 klinkt een oud lied: “Te dien dage zal deze zang worden gezongen in het land van Juda: wij hebben een sterke stad, als redding zet hij in muren en schansen. Doet open de poorten, laat binnenkomen het rechtvaardige volk dat de trouw heeft bewaard.” De ommuurde stad staat voor veiligheid en bescherming. Als de bewoners van de stad God niet voluit dienen met recht en gerechtigheid bieden de muren slechts schijnbare veiligheid. Goede relaties berusten op in Tenach en Evangelie relationele en ethisch geladen begrippen als ‘gerechtigheid’, recht’, ‘vrede’ en ‘waarheid’. Profeten hebben veel kritiek op het leven in de steden. Waarom? Omdat daar de macht, economisch, politiek en godsdienstig is geconcentreerd. Profetische kritiek klinkt bijvoorbeeld in Micha 3:10: “Hoort toch dit, hoofden van Jakobs huis, aanvoerders van het huis Israëls, die gruwen van recht, en al wat recht is krom maken, Sion opbouwen met bloedvergieten en Jeruzalem met misdadigheid.”

De wijngaard en de omheining

Naast de metaforische betekenissen van ‘muren’ en ‘stad’ in positieve en negatieve zin, speelt de metafoor van de ‘wijngaard en zijn omheining’ een belangrijke rol in het bijbels spraakgebruik, zowel in de Tenach als in de Evangeliën. In de Mondelinge Tora wordt metafoor veelal in verband gebracht met de gemeenschap van Israël (wijngaard) en met de Tora (beschermende omheining). In de Profeten, wordt het beeld van de wijngaard uitgebreid belicht in het lied uit Jesaja 5:1-7. In de Evangeliën wordt de metafoor van de wijngaard in een drietal parabels opvallend opgeroepen: in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Mt 20:1-16), in de gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers (Mt 21:33-46, Mar 12:1-12 en Lc 20:9-19 ) en in de gelijkenis van de vijgenboom in Lc 13:6-9. In de tweede helft van dit artikel verkennen we hoe de metafoor van de wijngaard en de omheining in de interpretatie daarvan in de vroegchristelijke gemeenschap heeft geleid tot het oprichten van hoge scheidsmuren tussen de joodse en de vroeg-christelijke gemeenschap. Onze gids in deze verkenning is de Joodse nieuwtestamenticus David Flusser. We laten eerst de basistekst uit Jesaja 5 horen en vervolgens de gelijkenis van Jezus, die een midrasj is die zinspeelt op het lied uit Jesaja, en gericht is op het tempel-establishment in Jeruzalem in Jezus’ dagen.

Jesaja 5: 1-7

”Voor mijn geliefde wil ik zingen, het lied van mijn lief en zijn wijngaard.

Een wijngaard had mijn geliefde, op een helling, heel vruchtbaar. Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit, beplantte hem met een edele druivensoort. Hij bouwde er een wachttoren, en hakte ook een perskuip uit; Hij verwachtte veel van zijn wijngaard, maar die bracht slechts wrange druiven voort.

Welnu inwoners van Jeruzalem en manvolk van Juda, spreekt toch recht tussen mij en mijn wijngaard. Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen, wat heb k te weinig gedaan? Ik verwachtte zoveel van mijn wijngaard, waarom bracht hij slechts wrange druiven voort? Israël is de wijngaard van de Meester van de hemelse machten, de uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.”

Marcus 12: 1-12

” Hij begint tegen hen te spreken in gelijkenissen: ‘Een mens plant een wijngaard en zet er een haag omheen, graaft een persbak uit en bouwt een wachttoren. (Jes 5:1-2). Hij verpacht de wijngaard aan wijnbouwers en gaat op reis. Na verloop van tijd stuurt hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn deel van de vruchten van hen te ontvangen; maar ze grijpen hem vast, mishandelen hem en sturen hem met lege handen terug. Daarna stuurt hij een andere knecht naar hen toe, de ze in het gezicht slaan en vernederen. Hij stuurt nog een derde, die ze doden en nog vele anderen; sommigen worden door de wijnbouwers mishandeld en anderen worden door hen gedood. Tenslotte is nog zijn geliefde zoon over; die stuurt hij als laatste naar hen toe met de gedachte: voor mijn zoon zullen ze ontzag hebben. Maar de wijnbouwers zeggen tegen elkaar: ’Dit is de erfgenaam, kom laten we hem doden, dan is de erfenis van ons.’ Ze grijpen hem vast, doden hem en gooien zijn lichaam buiten de wijngaard. Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarna doen? Hij zal zelf komen om de wijnbouwers om te brengen en hij zal de wijngaard aan anderen geven. ….[ citaat uit Ps 118:22]….Daarop willen ze hem gevangen nemen, want ze weten dat hij hen op het oog heeft bij het vertellen van deze gelijkenis, maar ze zijn bang voor de reactie van de menigte. Ze laten hem en gaan weg.”

Duiding van Jesaja 5

Het beeld van de wijngaard komt veel voor in bijbelse liederen en parabels omdat het dagelijks leven van veel inwoners van Israël met het werken in wijngaarden verbonden was. Dat is in het huidige Israël en de Palestijnse Gebieden nog steeds zo. Iedereen weet dat het geen sinecure is om een wijngaard aan te leggen, de grond bouwrijp te maken en een deugdelijke afscheiding te maken. Ook na het bouwen vraagt een wijngaard veel onderhoud: wijnstokken dienen verzorgd te worden, gesnoeid, besproeid. Een wijngaard is een kostbaar bezit, en is vaak een erfelijk bezit van generatie op generatie.

Het lied van de wijngaard uit Jesaja 5 heeft weet van deze werkelijkheid die met de metafoor van de wijngaard wordt opgeroepen. De economisch-sociale waarde van de wijngaard wordt figuurlijk betrokken op de maatschappelijk-ethische situatie waarin de gemeenschap van Juda verkeert ten tijde van koning Menasse en de profeet Jesaja (750-700 v.g.j.). Zijn kritiek is snoeihard. De rampzalige situatie in Juda en Jeruzalem wordt vergeleken met een wijngaard die alleen maar wrange druiven voortbrengt. De profeet hoopte op meer recht in de Judese samenleving, maar zag onrecht. De profetische kritiek klinkt hier als interne kritiek binnen de toenmalige gemeenschap van Israël.

De joodse midrasj

In Tenach zijn er geen duidelijke aanwijzingen voor een verhaal over de moord op profeten. Deze traditie is in het Tweede Getuigenis wel bekend, dus waar gaat die dan op terug? Op joodse overleveringen uit de Tweede Tempelperiode. Bekend is een tekst uit Jubileëen, eind 2e eeuw v.g.j.: “ En ik zal hen getuigen zenden, opdat ik aan hen getuigenis zal afleggen. Maar zij zullen niet horen, zij zullen daarentegen de getuigen doden, en ook hen die de wet zoeken zullen zij verdrijven…” (Jub. 1,12). In het bijzonder ontstaan er legenden rond Jesaja. Een verhaal wordt door L. Ginzberg overgeleverd: “ …Kom en zie: Jesaja was de grootste onder de profeten; maar omdat hij schandalige dingen oer Israel zei, daarom werd hij gestraft …en hij werd gedood door de hand van Menasse”.

Duiding van de parabel in de drie Evangeliën

David Flusser is een meester in het precies en contextueel lezen van teksten uit het Nieuwe Testament, het Tweede Getuigenis. Hij situeert teksten op een overtuigende wijze in de sociaal-culturele en de religieus-ethische context van die tijd. Zo leest hij drie versies van de gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers ook zo woordelijk mogelijk en probeert hij verschillen in de drie versies echt te verklaren vanuit kennis over de context van ieder van de drie versies.

Het eerste wat hij opmerkt is dat de historische situatie tegen de achtergrond waarvan Jezus deze gelijkenis vertelt volstrekt geloofwaardig is. Jezus vertelt de gelijkenis met het oog op zijn einde dat hij verwacht en hij spreekt dan ook direct tot zijn tegenstanders, namelijk tegen het corrupte tempel-establishment dat in de tempel van toen de dienst uitmaakte en dat hem gevangen wilde nemen. In de Lukasversie van de parabel worden zij als “de schriftgeleerden (van de tempel) en de hoofdpriesters” aangeduid, lui die wisten dat Jezus deze gelijkenis met het oog op hen vertelde.

Flusser laat in zijn boek grote boek over de gelijkenissen zien hoe de eindversie van de gelijkenis van de onrechtvaardige wijnbouwers in ieder van de drie Evangeliën wordt bepaald door de sociaal-culturele en de religieus-ethische context waarin ieder van de drie gemeenschappen zich toentertijd bevond. Iedere versie verraadt een stadium in het uiteengaan van joodse gemeenschappen en van nieuwe, vroegchristelijke gemeenschappen van Joden en niet Joden, die in Jezus van Nazareth hun meester zagen.

Nieuwtestamentische midrasj

Het evangelie van Lucas heeft volgens Flusser de oorspronkelijke vorm van de gelijkenis zoals Jezus die vertelde het beste bewaard. Jezus was in de ogen van Flusser een grootmeester in het vertellen van gelijkenissen en hij heeft zich zeker gehouden aan de spelregels die golden voor het vertellen. Hij construeerde een midrasj gericht op het tempel-establishment die hem uit de weg wilde laten ruimen. De gangbare opbouw verloopt in drie oplopende stappen. Deze opbouw van dienaren die naar de wijngaard gestuurd worden om de opbrengst ervan op te halen voor de heer en die slecht behandeld worden, blijft bij Lucas intact. De omslag wordt in die oorspronkelijke versie pas zichtbaar bij het bij het sturen van de zoon van de eigenaar.

Vervormingen bij Marcus en Matteus

Marcus en Matteüs doorbreken het vertelpatroon bij Lucas door de derde knecht al te laten doden, en door te spreken over vele anderen die gedood of mishandeld worden. Bij Matteüs gaat de redacteur van de vroegchristelijke gemeenschap nog een stap verder. Hij laat knechten sturen, waarvan sommigen gedood, sommigen mishandeld en weer anderen gestenigd worden. Matteüs speelt hier blijkbaar in op een oude mondelinge traditie over vervolgde en gedode profeten. Douwe van der Sluis heeft in een artikel uit 1987 prachtig laten zien hoe deze oude traditie over het doden van profeten in het Tweede Getuigenis eerst nog wel als nieuwtestamentische midrasj is gelezen, maar na 100 g.j. al snel leidde tot christelijke geschiedschrijving waarbij de Joden de schuld kregen van het doden van Jezus als profeet-martelaar. De midrasj werd niet meer verstaan als profetische aanklacht tegen de eigen groep maar toegepast op de Joden. Die ontwikkeling is al zichtbaar bij Marcus en Matteüs en was bij de eerste kerkvaders in de tweede eeuw g.j. al een gegeven.

Huizenhoge muren afbreken

Vanaf einde van de eerste eeuw g.j. werden de muren tussen joodse en vroegchristelijke gemeenschappen huizenhoog opgericht. De midrasj van de moord op de profeten werd omgewerkt tot een christelijke anti-joodse ideologie van het zogenaamde moordzuchtige Israel. En het heeft tot ver na de Tweede Wereldoorlog moeten duren, voor er enige ruimte ontstond bij christenen (in o.a. Nederland, de VS en Duitsland) om te erkennen dat door onder andere deze diepingrijpende ideologie (verpakt als theologie) Joden eeuwenlang het slachtoffer zijn geworden van uitsluiting en ontmenselijking.

Literatuur

W.J. Barnard & Peter van ‘t Riet (1986) Zonder Tora leest niemand wel. Kampen: Kok.

David Flusser (1981) Die rabbinischen Gleichnisse und der Gleichniserzähler Jesus. Bern: Peter Lang.

David Flusser, ‘Two anti-Jewish Montages in Matthew’, in Immanuel (1975) 43-45.

Louis Ginzberg (1909 /1998) The Legends of the Jews, Deel 6. Baltimore/ London: John Hopkins University Press.

C.J. Den Heyer & P. Schelling.(2000) Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis ( muur, stad, wijngaard). Zoetermeer: Meinema.

Achille Mdembe (2015) Kritiek van de zwarte rede. Amsterdam: Boom.

David Rokeah,’Anti-judaism in Early Christianlity’, in : Immanuel 16 (1983) 50-64.

Douwe van der Sluis, ‘Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd…’ Over het thema van de moord op de profeten in het Nieuwe Testament, p. 70-85 in: S. Bellemakers, A. Bosch & J. Rademakers (1987) Van horen en verstaan. Verklaring en gebruik van de Schrift. Hilversum: Gooi en Sticht.

Bas van den Berg