Een verlaat verjaardagsbezoek aan mevrouw Dieny Prak (90): "Alles komt toevallig zo uit"

Waar ik zo hier en daar laat vallen een gesprek met mevrouw Prak te willen voor de Mozaïek, krijg ik bijval. Zelf heeft ze bedenkingen. ‘Dan draait het om mij en dat wil ik niet,’ zegt ze. ‘We hebben altijd alles samengedaan. Ik was erbij, ja, maar nooit alleen.’

‘Dat mag zo wezen, vertel ik haar, maar u was er inderdaad altijd bij. En u bent 90 geworden.’ En zo zit ik een paar dagen later toch bij mevrouw Prak op de bank voor een gesprek. ‘Ik heb liever dat je Dieny zegt.’

De Prinsenhof in het ziekenhuis
Als zij in 1980 tien weken lang in het ziekenhuis ligt, krijgt Dieny een grote maquette van de Prinsenhof. De maakster ervan is Frouwt Morra. Er staat ook een tekst op de maquette: ‘De Prinsenhof in het ziekenhuis.’ Dieny Prak vertelt het me als we al bijna twee uur in gesprek zijn. Ik vind het een veelzeggend verhaaltje. Allereerst is er de terloopsheid van die tien weken. Je ligt niet zomaar tien weken in het ziekenhuis.prinsenhof 64Tijdens ons gesprek noemt mevrouw Prak veel namen en die maken duidelijk dat al die activiteiten in en om de Prinsenhof waaraan haar naam kleeft, inderdaad altijd gedaan werden door een hele groep mensen, vrouwen om een beetje nauwkeuriger te wezen.
Het is een terugkerend thema in ons gesprek. ‘Er zijn heel veel mensen geweest. Die hebben allemaal heel lang, heel veel gedaan voor de Prinsenhof. Maar mijn naam onthouden ze. Misschien omdat ik handig was in het organiseren, maar ik heb het nooit alleen gedaan. Er waren altijd veel mensen en we deden alles samen. We waren allemaal ontzettend trouw en er is nooit ruzie geweest. Ze zijn nu bijna allemaal overleden.’
Ze heeft van tevoren zelfs een lijstje gemaakt van alle mensen met wie ze samenwerkte in de loop der jaren. Ik herken er veel van, meestal omdat ik ooit kinderen in de klas had van ‘de meiden van de Prinsenhof.’ Intussen springt er een naam bovenuit, valt me op. Dat is die van Frouwt Morra. Dat moet wel de beste collega geweest zijn van Dieny Prak en de vrouw met wie ze veel heeft samengewerkt in de Prinsenhof, haar Prinsenhofvriendin. Het zal dan ook geen toeval zijn dat juist deze vrouw veertig jaar geleden met die onvergetelijke maquette bij het bed van deze vriendin kwam.
En dan die tekst: ‘De Prinsenhof in het ziekenhuis.’ Daarmee wordt natuurlijk niet allereerst die maquette bedoeld, maar de dame die daar toen in bed lag. Ze was niet de baas van de Prinsenhof, ze deden het allemaal samen, mevrouw Prak mag dat bij herhaling zeggen en het zal wel zo wezen. Maar haar goede vriendin Frouwt sloeg indertijd de spijker op zijn kop: mevrouw Prak ís de Prinsenhof.

Alles komt toevallig zo uit
‘Alles komt toevallig zo uit,’ zegt ze. De Prinsenhof werd geopend op 10 april 1962. Hij was er al een paar jaar toen mevrouw Prak er de scepter ging zwaaien. Je zou haar een zij-instromer kunnen noemen, of een invalkracht die bleef.
Ze was al betrokken bij de ondersteuning van het wijkwerk van zuster Riek en zo kwam ze ook geregeld in de Prinsenhof. Toen zuster Riek ander kerkelijk werk ging doen, nam mevrouw Prak haar taken in de Prinsenhof over. Als invalkracht nam ze daar een korte tijd ook de beheerstaken over. Maar de dame die zij toen verving, vertrok en zo bleef mevrouw Prak ook dat werk doen, maar als vrijwilligster. Op die manier raakte zij als gastvrouw van de Prinsenhof ook zijdelings betrokken bij de Hervormde Vrouwendienst, dat groepje van zeer actieve dames.

Binnenvaart
Het lag niet helemaal in de lijn der verwachting dat een schippersdochter van wie de wortels op Tholen lagen en die in haar kinderjaren alleen maar op een schip ergens over Nederlandse of Belgische wateren voer het overgrote deel van haar leven in Tuindorp zou wonen.
binnenvaartEen lagere school heeft ze niet bezocht. Ze kreeg als enig kind les van haar vader. Op afstand werd de boel een beetje gecontroleerd door een onderwijzeres die jaarlijks één of twee keer aan boord kwam om te zien hoe het ging met de prestaties van Dieny Schot.
‘Ik zat als meisje bij vader achter het stuurrad waar hij voor stond, op een bankje tussen het roer en raam bij het kompas. Vader boog dan naar voren en tekende letters op de beslagen ruit voor hem. Zo leerde ik lezen toen ik vijf was, en ook sommetjes maken. Mijn vader had het op zijn beurt zo geleerd, ook van zijn vader, maar die kon al lezen toen hij vier was.werken en denken
Ik moest het wel goed doen, natuurlijk. Ik weet nog dat ik een keer beddeken zei, dus deken van een bed. Je kent het verhaal toch wel van de verlamde die bij Jezus gebracht wordt doordat zijn vrienden hem in een bed door het dak naar beneden laten zakken. In de Statenvertaling staat ‘en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken’, dus met het kleine bed, maar ik zei het alsof het een deken van een bed was. Nee, dat beviel vader niet.’
Toen ze tien was had ze ‘Werken en Denken’ van Ewouds en De Jong, een boekje dat bedoeld was voor de hele lagere schoolperiode al uit. Die lessen verliepen goed.

Oorlog
Met de bezetting door de Duitsers werden de mogelijkheden voor het vrachtvervoer beperkt. Alleen in Nederland was nog wat te doen. Ze deden daarbij ook regelmatig Utrecht aan met hun schip ‘De Verwisseling’.
Eind ’43 zetten Duitsers delen van Zeeland onder water. Zeeuwse schippers voeren erheen om hun familie mee te nemen en ze een plaats te geven in het ruim van hun schip. Toen ze in Drenthe lagen, kreeg vader Schot een vracht aardappelen die naar Den Haag moest. Besloten werd om vervolgens leeg door te varen naar Sint-Maartensdijk op Tholen om daar familie op te halen. Bij Wemeldinge vlogen Engelse vliegtuigen over. Dat kon uitlopen op een beschieting van het konvooi schepen dat we net passeerden. Vaak voer men in konvooi en daarin voeren dan gewoonlijk ook Duitse schepen mee.
‘Op één van de schepen in het konvooi stond een goede vriend van mijn vader. De mannen zwaaiden naar elkaar. Even later werd ons schip beschoten door een Engels vliegtuig dat ook het konvooi onder vuur nam. We verstopten ons beneden, maar toen het gevaar voorbij leek, ging mijn vader vlug naar boven. Hij wilde ‘De Verwisseling’ niet in een mijnenveld terecht laten komen. Mijn moeder en ik gingen met hem mee. De vliegtuigen keerden terug en nu werd mijn vader dodelijk getroffen. Mijn moeder had haar hand op zijn schouder gelegd. Zij raakte gewond aan haar hand.

Later hoorden we dat de vriend op het andere schip ook getroffen was. Mijn vader en hij zijn samen begraven, in Wemeldinge.’dieny prakMoeder en dochter, Dieny was toen veertien, vonden tijdelijk onderdak bij een familie die in Tuindorp woonde. Het waren Brabanders. Die vertrokken korte tijd later naar familie onder de grote rivieren om pas na de oorlog terug te keren.
Bijzonder is wel dat in de jaren negentig Dieny’s vriendin Gerda van Scherpenzeel het schip heeft teruggevonden. Ze had het na de aanval niet meer gezien. Het kwam heel veel later in handen van een Engels echtpaar. Nu heette het Avanti B. Max en Dieny kregen goed contact met de nieuwe eigenaren, de man was nota bene een voormalig piloot van de Engelse luchtmacht. Ze hebben toen nog een paar dagen op het schip gevaren, in Nederland en Frankrijk.

Familie Prak in Tuindorp
Dieny besloot examens te doen voor de diploma’s typen en stenograferen en daarmee kon ze terecht bij een Utrechtse verzekeringsmaatschappij. Toen haar moeder hertrouwde en terugkeerde naar Zeeland, bleef zijzelf in Tuindorp waar ze op een paar adressen gewoond heeft.
De dingen komen toevallig zo uit, we zeiden het al. Elders, in Veenhuizen om precies te zijn, groeide een kind uit tot jongeman. Hij vond werk in Assen, ging daar vervolgens in dienst bij de NS en zo kwam hij in Utrecht, waar hij in een mensa voor niet studerende jongeren het meisje ontmoette met wie hij in 1952 trouwde.
Al die jaren bleef meneer Max Prak bij de NS werken, maar in Tuindorp kennen we hem behalve als ouderling van de Willem de Zwijgerkerk vooral als de ‘burgemeester van Tuindorp’ omdat hij jaar en dag de voorzitter en het onbetwistbare gezicht van de wijkvereniging Tuindorps Belang was én hij was Sinterklaas. Kenners weten dat er maar één echte Sinterklaas is geweest: Max Prak.
Dat betekent dat er in huize Prak twee door de wijk zeer gekende mensen tafel, bed en kinderen deelden. Er was hier en daar wel wat overlap in activiteiten, maar beiden hadden hun eigen terrein.

Prinsenhof
Vanaf halverwege de jaren zestig tot juni 2011 was Dieny Prak niet alleen in naam maar ook in feite De Prinsenhof. Er waren vier terreinen: administratie, organisatie en huishoudelijke dienst en de verhuur. ‘Nogmaals, ik was wel overal bij betrokken maar ik deed het niet alleen. En ik deed het omdat ik er enorm van genoot. Ik was niet zo huishoudelijk. Dit lag me veel beter. Mijn man vond het prima en de kinderen vonden het ook leuk. Al was het maar om me er ermee te plagen als ik op maandagavond de vaat liet staan, want om zeven uur begon de meisjesclub. Zelf kwamen ze er ook graag. Als zoon Peter een tussenuur had op Blaucapel nam hij ook wel vrienden mee om in de Prinsenhof een uurtje te volleyballen.’
Er waren kerkelijk gebonden activiteiten waarvoor geen huur werd betaald, maar waar wel een gastvrouw voor moest zijn. Meestal was dat Dieny Prak. Samen met anderen runde zij de clubs in de jeugdruimte, coördineerde het jeugdwerk, hield het kaartsysteem van de kerk bij. Zij zorgde ook voor de kerkenraadsstukken, en ze tikte en stencilde de liturgie.
‘Dominee Irik was op dat punt nogal eens aan de late kant,’ vertelt ze. ‘Ik wilde per se dat de liturgie uiterlijk vrijdag gedrukt werd. Het gebeurde dan ook vaak dat hij op vrijdagmiddag belde om de liederen en teksten door te geven terwijl ik al stond te koken. Dan schreef ik alles vlug op en na het eten ging ik naar De Prinsenhof om de boel uit te tikken en de liturgieën uit te draaien.’

Dat anderen haar naam ook onmiddellijk in verband brengen met de Mozaïek is niet terecht. De dames van de Prinsenhof vormden niet de redactie, daarvoor moest je bij Cock Voorrips zijn. Alles werd vermenigvuldigd in De Prinsenhof. Dat kostte geen cent. Vervolgens gingen de stapels Mozaïek naar de Tuindorpkerk waar de boel gevouwen werd en geniet. Voor de Kleine Mozaïek gebeurde dat in De Prinsenhof. We zorgden er altijd wel voor dat we er iets lekkers bij hadden.’

Verhuur
‘Die Prinsenhof leverde intussen ook wel wat op, hoor. Er werd flink verhuurd, vooral ook aan externen. Voordat jij kwam voor dit gesprek ben ik begonnen om te noteren welke verhuurders ik me nog herinner. Bij de dertig ben ik maar gestopt. Ik was er nog lang niet.’

Er waren huurtarieven. Een echte externe huurder, een postzegelclub bijvoorbeeld, of een bedrijf dat een zaaltje nodig had, betaalde gewoon het volle pond, terwijl voor een religieuze, charitatieve instelling minder werd gevraagd.
‘Toen ik in de Prinsenhof begon was het oranje-groene kruis al huurder. Veel externe huurders zijn heel lang gebleven. De bridgeclub, er waren allerlei sociëteiten voor bejaarden, de schaakclub, de damclub, een gymnastiekclub dit en een gymnastiekclub dat. Dat klinkt wel indrukwekkend, maar het werk was goed te doen, hoor. Wij waren gastvrouw, zorgden voor koffie en dergelijke, maar verder regelden de soos en de bridgers alles zelf en dat ging heel goed. ‘Bij de bridgevereniging was meneer Van der Veen de baas. Die zorgde zelf ook voor koffie en thee, maar hij liet ons graag delen in de vreugde van de club, dus als er bijvoorbeeld getrakteerd werd, dan was er ook iets voor de meiden van De Prinsenhof.’ Voor de schoonmaak zorgden Hennie en Klaas Sikkens. Dat deden ze jarenlang, en heel goed.’
Intussen is De Prinsenhof toch vooral bekend geworden en gebleven vanwege het Open Jeugdwerk. Er waren de clubs. Waarschijnlijk zijn de meeste Tuindorpse kinderen tussen 1970 en 2000 korter of langer lid geweest van bijvoorbeeld de knutselclub. Of ze waren trouwe klant bij de vakantiebesteding. Namens Tuindorps Belang verzorgden de dames van De Prinsenhof vanaf ’76 ook een aantal jaren de kinderkermis.

De toekomst
‘Ik ben blij dat De Prinsenhof niet verkocht is in 2011 en dat het medisch centrum dat er nu staat niet alleen nog eigendom is van de kerk, maar ook dat het nog Prinsenhof heet. Dat is natuurlijk een verwijzing naar de vroegere Willem de Zwijgerkerk. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij heeft dominee Van Endt die naam bedacht. Het nieuwe gebouw lijkt trouwens heel veel op het oude.
En ja, dat het reliëf van het vorige gebouw, met de ridders, zo dicht in de buurt, bij de bloemenkiosk van Karel Wiemelink een nieuwe bestemming heeft gekregen, vind ik natuurlijk prachtig. Ik heb me altijd zo betrokken gevoeld bij de Prinsenhof. Ik ben blij met alles wat er nog van voortleeft.’

Toekomst
‘Een teken voor de toekomst, vraag je? We mogen blij zijn als over tweehonderd jaar de kerk nog bestaat. Ik vraag me eerlijk gezegd wel af of je die toekomst veilig stelt door met allerlei bijzondere vormen in de dienst te gaan werken. Geloof jij daarin?
Maar inderdaad, daar moeten we ons ook niet al te veel zorgen over maken. God gaat verder dan mensen.’

Tholen
huis sint maartensdijk‘Het huis in Sint-Maartensdijk op Tholen hebben we dit jaar verkocht. Achter je hangt een schilderij daarvan, kijk maar. Een lief huisje, hè. Het was het huis van mijn moeder. Zelf heb ik nooit op Tholen gewoond. Ik ben een schippersdochter en een Tuindorper. Maar we zijn er ons leven lang blijven komen. Ik ben net nog een paar dagen in St-Maartensdijk geweest. En zal er blijven komen. Een nicht heeft daar een huis en we kunnen regelmatig op haar huis passen. Tholen blijft, gelukkig maar, al heb ik er niemand meer van mijn eigen generatie en mijn eigen familie. Nog één nicht. Door het tweede huwelijk van mijn moeder kreeg ik zomaar tien stiefbroers en -zussen. Van hen zijn er nog maar enkelen. En dan al die mensen met wie ik jaar en dag De Prinsenhof mocht doen, ze zijn er niet meer.’

Psalm 139
‘Wat ik een mooie tekst vind? Ik zou het je niet kunnen zeggen. Nee, een zangeres ben ik niet, maar psalm 139 vind ik wel heel erg mooi. De berijmde versie, maar ook die tekst uit de Bijbel.’

Heer, die mij ziet zoals ik ben,
dieper dan ik mezelf ooit ken,
kent Gij mij, Gij weet waar ik ga.

‘Ja, dat vind ik een heel mooie psalm.’

Negentig, mompel ik, als ik weer naar huis loop. Dieny Prak is negentig. Het is toch niet te geloven. Toen ik bij haar aanbelde voor een afspraak, had ze net de nieuwe Kleine Mozaïek opgehaald en komende vrijdag zit ze waarschijnlijk weer op het kerkelijk bureau om een helpende hand te bieden. ‘Zet dat er maar niet in,’ zei Dieny. Zoveel stelt dat nou ook niet voor en bovendien: ik doe het niet alleen.’ Ze deed het nooit alleen, denk ik. Nooit. Maar ze deed en doet het allemaal wel. Al vele jaren.

Len Borgdorff