De boodschap van Jona

Nu mijn levensadem mij verlaat
Roep ik U aan, Heer,
En mijn gebed komt tot U
In Uw heilige tempel. (Jona 2: 8)

Noodkreet
Drie dagen en drie nachten zit Jona in de buik van de grote vis die hem heeft opgeslokt. Er is nu niets meer dat hem met zijn vroegere bestaan verbindt. Hij voelt zich verstoten en verlaten. Het contact met andere mensen bij wie hij vertrouwen en bescherming zou kunnen vinden, is verbroken. Op zijn vlucht voor God is hij aangekomen op het punt, waarop zijn weg eindigt. Hij heeft geen idee welke kant hij nog op zou kunnen. Leven en dood kan hij niet meer uit elkaar houden. Dan doet hij wat hij zichzelf beloofd had om nooit meer te doen. Hij kijkt over zijn schouder naar de God voor wie hij wegvluchtte en hij begint te roepen, te schreeuwen. In een noodkreet die hij richt tot God, schreeuwt hij zijn paniek en benauwdheid uit: “Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – U hoort mijn stem!

Afgang
De vlucht voor God waarvan Jona dacht dat die hem ver zou brengen, blijkt een onverbiddelijk neerwaartse tocht te zijn. In 2 Koningen lezen we dat Jona afkomstig is uit een plaats in de bergen. Daar vandaan daalt hij af naar de havenplaats Jafo. Vanaf de kade laat hij zich in een schip zakken, dat daar ligt aangemeerd. Wanneer het schip uitvaart, blijft hij niet aan dek staan, maar klimt hij naar beneden om in het ruim te gaan slapen. In de storm wordt hij overboord gegooid en zinkt weg naar het hart van de zee, waar een grote vis hem opslokt. Dieper dan de buik van deze grote vis, kan de profeet niet zakken. Jona bidt: “Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen, naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.” We kunnen deze noodkreet van Jona overzetten in de woorden die Dietrich Bonhoeffer gebruikt in zijn gebed, wanneer hij aan het einde van zijn hoop gekomen is: “Ik ben in grote nood. Ik dreig in mijn zorgen te stikken, ik zie geen uitweg meer.

Hemels licht
Jona en Bonhoeffer doen wat iedereen kan doen, wat zijn of haar situatie ook is. Ze zoeken naar een woord of naar woorden, waarmee ze zich tot God kunnen richten. Het kan een spontaan of weloverwogen woord zijn, een heel of half woord, een woord dat bij ze blijft of dat ze zijn vergeten, zodra het is uitgesproken. Dat maakt niets uit. Het belangrijkste is dat we beseffen dat we, zoals iemand schreef “een biddende worden in het gebed zelf”. We worden een biddende, wanneer we niet langer tegen onszelf praten of met een medemens in gesprek zijn. Een biddend mens worden we, wanneer we onszelf en ons leven niet alleen in het aardse licht, maar in het licht van Gods grootheid durven te zien. Dankzij deze manier van kijken wordt Jona uit de dood omhooggetrokken naar het leven. Zijn opleving legt hij vast met deze woorden: “Ik zal mijn stem in dank verheffen.” Ook Bonhoeffer kan verder en herademt: “Ik vertrouw op Uw genade en leg mijn leven in Uw hand.
Ook al zijn we weggelopen uit het hemels licht, ons gebed brengt ons weer terug.
Ds. P.J. Rebel