Hoe denkt het Christendom over de antichrist?

Met deze vraag kwam een leerling van het st-Gregorius college bij me.

De antichrist is ieder die de Vader en de Zoon niet erkent. Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven.
1 Johannes 2: 22b-24a

Zoveel hoofden, zoveel zinnen
Wat voor iedere sociale groep geldt, geldt ook voor elke kerkelijke gemeenschap: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Dit was ook de realiteit in de gemeenschap van de christenen tot wie de auteur van de eerste brief van Johannes zijn woorden richtte. Er werd verschillend gedacht over onderwerpen die het wezen van de navolging van Christus vormden. Het waren geen geringe verschillen die de gemeenschap van Johannes uit elkaar trokken. Twee groepen stonden lijnrecht tegenover elkaar en tussen beide in lag een diepe, onoverbrugbare kloof. In het verleden hadden ze naast elkaar gezeten en samen de Tora bestudeerd, met elkaar gebeden en het brood gedeeld. Nu had zich een groep uit de gemeenschap afgescheiden die in de ogen van de schrijver van de brief de waarheid van Christus had verraden. Het kernpunt van het conflict was dat de afgescheiden groep ontkende, dat Christus werkelijk mens geworden was. De hemelse Christus kon nooit werkelijk een mens zijn geweest met alle fysieke zwaarte, beperkingen en pijn, die bij het mens-zijn horen. Daartegenover stond de schrijver van de brief die de hemelse Christus wel met de aardse Jezus vereenzelvigde, zoals ook het Johannesevangelie dat doet. “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid...” (Johannes 1: 14) Wie beweerde dat Jezus niet de Christus was, niet de Zoon van de Vader, noemde de schrijver een antichrist.

Ondoorgrondelijke liefde
Het nieuwe woord antichrist is ontstaan in christelijke kringen. De achtergrond waartegen we het moeten lezen, vinden we in de joodse, apocalyptische literatuur, zoals in het Bijbelboek Daniël. In de apocalyptische literatuur wordt geprobeerd om zich de gebeurtenissen voor te stellen die het einde van de wereld en het komen van Gods nieuwe wereld zullen inluiden. De schrijvers van apocalyptische boeken baseren hun voorstellingen op de verwachtingen van profeten als Jesaja en Jeremia. De profeten verwachten dat God het onrecht in recht, geweld in vrede, haat in liefde, dood in leven zal veranderen. De omwenteling zal een oordeel zijn en de aardse duisternis zal door Gods ondoorgrondelijkheid heen worden getrokken en worden verlicht. Jesaja verwoordt het zo: “Zie hoe de Heer zijn woning verlaat en de mensen op aarde voor hun wandaden laat boeten. Het onschuldige bloed dat op haar is vergoten wordt door de aarde aan het licht gebracht, ze zal het niet langer verbergen.
Aan de ene kant zijn dit zinnen die we niet willen loslaten, omdat ze gerechtigheid beloven. Al het onschuldige bloed dat op deze aarde in verborgene vergoten is, zal God aan het licht brengen. De namen die niemand kent, zullen op witte stenen worden geschreven. Aan de andere kant zijn het ook zinnen die we niet willen vastpakken, omdat ze branden. God laat mensen op aarde voor hun wandaden boeten. Dat roept bij ons de vraag op of de God die mensen wil laten boeten voor het kwaad, zelf niet ook wreed en kwaadaardig moet zijn?
De erkenning van de Zoon laat ons een blik werpen in de ondoorgrondelijkheid van de Vader. We ontdekken wat Jesaja en Jeremia al zagen en verkondigden. De God die laat profeteren, dat mensen voor hun kwaad zullen boeten, is de God die de wandaden en zonden vergeeft die de mensen op aarde begingen. De ondoorgrondelijkheid van God is uiteindelijk altijd de ondoorgrondelijkheid van Zijn allesomvattende liefde.

Waarschuwing en oproep
Door de eeuwen heen hebben christenen nooit de verzoeking kunnen weerstaan om tijdgenoten aan te wijzen als de antichrist. Het gaf hun overzicht en hoop, wanneer de wereld in verwarring was. Want als de antichrist geïdentificeerd kan worden, kan het komen van Christus niet ver weg meer zijn. Maar het identificeren en benoemen van de antichrist werkte ook negatief. Het heeft het gesprek uitgedrukt en het vuur van het geweld aangestoken. Daarom moeten we onszelf ervan weerhouden het woord antichrist als de giftige pijlpunt van ons oordeel in te zetten. Laten we dit woord maar vooral verstaan als oproep en aansporing.
Geloven aan de belofte van Jezus is een smalle weg”, schrijft Dietrich Bonhoeffer. Zeggen we te veel, wanneer we de antichrist interpreteren als de dynamiek die ons geloof laat leeglopen? Met deze dynamiek hebben we te maken in de samenleving om ons heen, maar ze heeft ook in ons hart haar werveling gevonden. Tegenover deze dynamiek staat de erkenning dat Jezus de Zoon is, die ons naar de Vader brengt. Tegenover de antichrist staat de Geest van Jezus. Zijn Geest maakt voor ons de weg niet breder, maar wel onze voetstappen steviger. We worden zekerder in het leven, omdat we niet aan ons lot zijn overgelaten: “Want mijn leven is onder de macht gesteld / van de Heer die mijn dagen en nachten telt.” (NLB 840)

Ds. P.J. Rebel