Wat heeft Jezus met Jozua te maken?

Toen Maria hoorde dat zij een kind zou krijgen, een kind dat voor altijd op de troon van David zal zitten, hoorde ze ook dat zij het kind Jezus moest noemen. Dat is opvallend, want Jezus is niet een naam die voorkomt onder de voorvaders van dit kind (op éen onbekende na). Het is wel een bekende oudtestamentische naam. Er is zelfs een Bijbelboek met deze naam, want Jezus is de Griekse versie van Jozua (zoals John de Engelse versie van Jan is). Ook dit laatste kan toch niet toevallig zijn. Waarom herinnert Jezus met zijn naam uitgerekend aan degene die zijn volk het beloofde land binnenvoerde? Wat zegt dat over de identiteit van de Messias die in Judea geboren is en daar met zijn publieke optreden zal beginnen?

Voor westerse christenen is dit een nijpende vraag omdat voor ons het boek Jozua éen van de lastigste Bijbelboeken geworden is. Wij veroordelen geweld, het meest van alles religieus gemotiveerd geweld. En juist dat lijkt bij Jozua in sterkste vorm aan de orde te zijn. Het volk van God lijkt daar een genocide uit te voeren. Onder leiding van Jozua verovert Israël Kanaän en verjaagt of doodt de volken die daar al wonen. Het volk van God pakt het land van andere volken. En God geeft hen daartoe de volmacht.

Misschien moeten we bedenken, dat alle volken in oudere tijden zo deden. Geweld en verovering waren tamelijk gewoon. Daarmee is het niet goedgekeurd, maar als God zijn volk te midden van volken die het geen plek willen geven, toch een plek wil geven, zal Hij zijn mouwen moeten opstropen. Daar hadden de volken van toen ook wel ontzag voor (zoals bv blijkt uit verschillende psalmen). En daar herkennen we toch wel iets van: als ik iemands vriend wil zijn, maar niet voor deze vriend wil vechten, hoe overtuigend ben ik dan?

Bovendien, laten we eerlijk zijn, wij als Westerse volken gingen eeuwenlang niet beter met elkaar om dan de volken in de tijd van het oude Israël. Niet beter – of nog slechter. We hebben Vikingenbloed. We hebben overal gekolonialiseerd, alsof de hele wereld het ons beloofde land was. We hebben Germaans bloed dat nog niet zo lang geleden verwoestend opspeelde. Zijn we daarvan nu zo geschrokken dat we dit tegen elke prijs willen voorkomen? Spijt kan heilzaam werken; maar kan ons eigen verleden ook te negatief belichten.

In elk geval zijn we op grotere afstand van het Bijbelverhaal gekomen. We zullen ons extra moeten inspannen om daar toch een goede boodschap in te horen, iets dat God ons wil vertellen. Laten we Jozua die kans geven. Elke zondag komen we immers bijeen in het vertrouwen dat Bijbelverhalen richtinggevend zijn. Misschien zegt Jozua ons iets dat wij in onze huidige gevoeligheid tot onze eigen schade vergeten zijn.

Laat ik meteen de hoofdvraag stellen. Waarom moeten de volken in Kanaän verdreven worden? –Een eerste antwoord is niet moeilijk te geven: Omdat God één volk wil leren zijn wil te doen en het zo tot licht voor andere volken maken. Deze wil van de God van Israël, deze Thora, is niet de wil van de god van éen volk zoals er ook een oppergod van Assyrië of Egypte was. De God van Israël claimt de schepper van alle volken en heer van alle landen te zijn. Wij zouden hier niet in de kerk zitten als wij dat niet zouden geloven.

Om éen volk zijn wil te leren doen, om zo éen volk tot licht voor alle volken te maken, moet God een plek creëren waar dit ene volk, levend tussen andere volken, niet hun manieren van denken en doen overneemt, althans niet die manieren die strijden met Gods wil. Het volk moet zich aan Gods wil leren houden. Dat is de belangrijkste zorg van Jozua. We hebben het gehoord. Dat was al de belangrijkste zorg van Mozes zoals blijkt in zijn afscheidsrede, Deuteronomium.

Hoe leer je een volk Thora? Een volk, niet een persoon of een familie, maar een grote groep mensen. Hoe krijg je het met een volk voor elkaar, dat het samenleven van deze groep niet gecompromitteerd wordt door manieren van denken en doen van de buurvolken? Hoe krijg je dat voor elkaar als dit volk feitelijk allerlei kwalijke ideeën en praktijken met zijn buurvolken deelt en die dus moet áfleren?

Hier zitten wij westerlingen opnieuw met een eigen moeite, want we hebben de laatste decennia elkaar vooral geleerd, dat ieder mens en ieder volk zijn eigen gewoontes mag hebben. Elk denken en elk doen mag er zijn, voor postmodernen is dat bijna heilig. En als we nog modern gebleven zijn, voegen we graag toe dat er algemeen-menselijke manieren zijn die overal gerespecteerd moeten worden: mensenrechten.

De bijbel is op twee punten kritischer. Er zijn menselijke manieren die overal voorkomen maar die toch niet Gods goedkeuring hebben, en die in feite ook niet goed zijn voor mensen. En, er is het omgaan met God zelf, de zorg voor goede godsdienst. God heeft ook rechten. De eerste drie van de Tien Geboden drukken die uit.

Misschien zien we nu het probleem, maar schrikken we nog terug van de oplossing van Jozua. Hoe wordt daar voorkomen dat het volk van God kwalijke manieren van andere volken overneemt en zelf goede Thora opbouwt? Door in het gebied waar dit volk gaat wonen de andere volken te verdrijven. Om geloofsafval en Thora-verlies te voorkomen moeten deze volken verdreven worden uit het gebied waar Israël gaat wonen.

Daar hebben we grote bezwaren tegen. Al zit er achter deze aanpak een Bijbels realisme, dat we na langere ervaring wel kunnen herkennen. Samen blijven wonen met hen die niet geloven en niet Gods wil doen en dan zelf Gods wil vormgeven in het eigen leven en in het samenleven met elkaar, gaat dat lukken? Jozua zegt: oude manieren van denken en doen moeten buiten de deur gezet worden, met kracht. Anders blijf je er half in steken, of val je erin terug. Dat heeft Israël zelf trouwens ook ervaren, in de geschiedenis na Jozua.

Verdrijven dus. Verdrijven is nog geen doden. Verdrijven wordt doden als de mensen die al in het gebied wonen, zich niet laten verdrijven en naar de wapens grijpen. Dan wordt het geweld tegen geweld.

Nu raken we aan onze grootste bezwaar tegen Jozua. Mensen die ergens al langer wonen uit de weg ruimen, doden: dat willen we echt niet, dat mág niet. Maar ook hier gebiedt de eerlijkheid om eerst in de spiegel te kijken. Is er geen enkel recht om een volk te verdrijven? En is het alleen maar terecht dat het eigen land verdedigd wordt, met wapens, ten koste van mensenlevens?

Wanneer mag een volk zeggen ‘Dit grondgebied is van mij’? Op de weg met God leerde Israël, dat land allereerst van God is. Hij is niet alleen de Schepper van de hemel, maar ook van de aarde. Wij christenen hebben dat overgenomen, wij meenden: wat Israël leerde, geldt voor elk land. Elk land, ook in Europa, of daarbuiten, is allereerst van God. Maar door de secularisatie is dit besef in het Westen de laatste eeuwen weggesleten en tenslotte officieel – voor het publieke leven – verbeurd verklaard. Nu ontlenen we alleen nog rechten aan drie niet-religieuze factoren: hoeveel mensen wonen er, hoe lang wonen ze er, wat willen ze zelf? Het huidige Israël heeft daar een vierde niet-religieuze factor aan toegevoegd: mogen mensen die vreselijk vervolgd zijn niet een plek claimen waar ze veilig kunnen wonen? Is ook dit niet een universeel recht van mensen?

In het oude Israël, het Israël van de Bijbel, was er altijd nóg een factor in het geding. Leven we volgens de bedoeling van de schepper, of niet? Het is Zijn land dat wij mensen in gebruik hebben. Een recht om daar te wonen hebben we alleen als we Zijn huurvoorwaarden eerbiedigen. Die huurvoorwaarden bestaan niet alleen uit huisregels voor de omgang met onszelf en onze naasten (en met het land zelf, de grond, de natuur), maar ook en allereerst met de Heer.

Om Jozua nog beter te begrijpen moeten we een sprong in de tijd maken. Voor we naar Jezus gaan moeten we langs de profeten. Want verdrijven is een woord dat vaker in het Oude Testament terugkomt. Het volk Israël is later zelf van zijn land verdreven. U weet allemaal hoe dat gebeurd is, eerst door de Assyriërs en later door de Babyloniërs (en nog later, nog grondiger, door de Romeinen). Het Israël dat zich toen niet wilde laten verdrijven en zich met wapens verzette, is door deze buurvolken overweldigd, onderdrukt of gedood – net als de Kanaänieten in de tijd van Jozua. Hoe heeft Israël deze pijnlijke ervaring verwerkt?

Profeten als Jesaja en Jeremia leerden het verlies van eigen land zien als een wandaad van de veroveraars en als een straf van God – een straf als gevolg van Israëls eigen zonden – zonden die samengevat kunnen worden in geloofsafval en Thoraverlies. Israël had als volk, als natie het vertrouwen in God en de naleving van zijn Thora losgelaten (individueel bleven er uitzonderingen). Israël vertrouwde vooral op de machten waarop ook de volken rondom het meest vertrouwden (zoals techniek en handel). Israël had hun manier van denken en leven, van regeren en welvaart-verwerven overgenomen. Toen ondergingen de Israëlieten zelf het lot dat de Kanaänieten in de tijd van Jozua hadden ondergaan.

In feite heeft Jozua zelf dit al geweten vóor hij zijn volk het beloofde land binnenleidde. Mozes ook. ‘Onderhoud mijn geboden, zegt de Heer, en het land dat je binnengaat geef Ik je in bezit. Doe je dat niet, dan zul je verdreven worden.’ Dit lijkt een wat onrealistische waarschuwing in een tijd dat Israël nog niet in Kanaän woont, en ook nog in een tijd dat het er al wel woont maar niet de macht over het land heeft (zoals tijdens de Richteren). Maar dat besef komt bij David en Salomo terug toen Israël die macht wel had (zie bv 1Kon 9:3v) – net als het huidige Israël die nu heeft. Als je je niet houdt aan Mijn geboden, zal je het land verliezen.

Jozua laat dus iets zien dat algemeen geldig is. Wat de volken in Kanaän overkomt als Israël onder leiding van Jozua het land binnentrekt, is in feite hetzelfde als wat Israël zal overkomen wanneer het niet langer leeft als Gods volk. En wat ook ‘christelijke volken’ zullen ervaren, en ervaren hebben. De Kanaänieten kregen niets minder maar ook niets meer dan de gevolgen van hun eigen zonden te dragen – niets minder maar ook niets meer dan wat Israël zelf te dragen krijgt. Net als de Israëlieten later, hadden de Kanaänieten ‘hun’ land ten onrechte in bezit omdat ze het beheerden zonder de rechtmatige heer te erkennen in woord en daad. Met de aankomst van Israël op hun grondgebied komt ook het oordeel van deze heer, hun schepper.

Nu moeten we nog even terug naar de nieuwtestamentische Jozua. Jezus lijkt zich niet met land en landbezit en politiek bezig gehouden te hebben. Of toch wel? We hoorden éen woord van Jezus zelf. Als hij zijn grote openbare preek houdt, de Bergrede, begint hij met zaligsprekingen, waarvan de derde luidt: ‘Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten’ (Mat 5:5). Deze tekst kan ook zo vertaald worden: ‘want zij zullen het aardrijk beërven’. In deze woorden horen we allerlei oudtestamentische echo’s. Wat Israël leerde over het stukje grond waar het wonen mocht geldt voor de hele aarde. En bezit van land is overal zaak van het rijk, van regeren en beheren van dat land. Sommigen zullen het land, de aarde beërven, zegt Jezus. Ook dat is oudtestamentische taal, bv van de Psalmen: ‘Hij schonk hen het erfland der heidenen’ (Ps 111:6, ‘heidenen’ zijn de volken die niet leven zoals God het wil). ‘Het volk dat hem dient zal het land bezitten, wie zijn naam liefheeft mag er wonen’ (Ps 69:37).

U ziet: in de zaligspreking vinden we dezelfde koppeling als in Jozua, tussen leven zoals God het wil en landbezit. Alleen wie leeft zoals God het wil, is de rechtmatige erfgenaam van het land. De anderen zullen vroeg of laat het veld moeten ruimen. –We kunnen nu al onze bezwaren bij Jozua samenvatten in de vraag, hoe de ware erfgenamen in het bezit van hun erfenis komen. Daarin gaat de nieuwe Jozua voor. De weg die hij niet alleen wijst maar zelf ook gaat is volgens de evangeliën de vervulling van de weg van Israël. Het is een weg door het hele leven heen en tenslotte door de dood heen. Zij die Jezus volgen zullen het land, de aarde beërven door het leven en door de dood heen. Voor hen die leven zoals God het wil – voor hen die zachtmoedig zijn – is er opstanding: het blijvend in bezit krijgen van de aardse erfenis.

Zachtmoedig is niet: lief als een lammetje. Zachtmoedig is zacht omdat het rekening houdt met de hele situatie van gevallen mensen, en moedig omdat het daarin de wil doorzet om hen te behouden. Zachtmoedigen doen de hele feitelijke mens als schepsel van God recht. Van hen gaat de grootste werving uit. Zij drijven de anderen – de mensen, de volken die niet zo recht willen doen – het best en uiteindelijk definitief uit. Dat is het perspectief, van Jezus en Jozua. Het land is uiteindelijk voor hen die de Heer volgen.