Mensjes nooitgenoeg

Er is iets geks met ons aan de hand.
Niet alleen met u en mij hoor, maar met alle mensen.
Wij hebben namelijk nooit genoeg.
Let op: ik bedoel niet dat mensen ondankbaar zijn!
Ook als onze dank groot is, hebben we nog steeds niet genoeg.
Mensjes nooitgenoeg zijn we.

Jullie kennen dit beroemde kinderboekje vermoedelijk wel.
Het vertelt het verhaal van een rupsje dat eet en eet en eet en eet, totdat hij niet meer kan. Maar zodra hij wel weer kan, eet het rupsje vol overgave verder. Nooit heeft rupsje nooitgenoeg genoeg.
Dit boek kennen jullie hopelijk ook.
De bijbel vertelt het verhaal van de mens die nooit genoeg heeft.
De mens die altijd op zoek is naar wat anders, naar wat beters, naar wat nieuws. De mens die verlangt naar niets minder dan het beloofde land, het koninkrijk van God, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
In dit boek draagt de mens steeds andere namen. Maar alle hoofdrolspelers verlangen naar meer, naar beter, naar anders.
Zo heb je Adam en Eva die na de moord van zoon Kain op zoon Abel, ongetwijfeld terugverlangen naar de paradijselijke dagen in de boomgaard van hun Schepper.
Of Abraham en Sarai, die op hoop van zegen en bestemming, alles en iedereen achter zich laten… en gaan.
Of Mozes en Aaron die geen genoegen nemen met het armzalige maar duidelijke slavenbestaan en de ongewisse leegte intrekken op zoek naar een land van melk en honing.
Of later de bewoners van dat beloofde land die hun honing willen inruilen voor een koning.
Of nog weer later de ballingen die neerzijgen langs de oevers van Babylons stromen en daar dromen van de dag dat ze lachend en juichend terug zullen keren.
Of de getergde Job en de wijsgerige Prediker die het onbegrijpelijke verlangen te doorgronden.
Of enkele eeuwen later de vrienden van Jezus die hopen dat de ongelooflijke boodschap van hun rabbi de wereld op z’n kop zal zetten.
En tenslotte diezelfde vrienden die na de dood van hun leermeester elkaar troosten met het geloof dat de dood is overwonnen en dat het mooiste nog moet komen.

Mensjes nooit genoeg.
Best een aardige titel voor dit boek.

En let wel: ik zeg nog steeds niet: mensen zijn ondankbaar!
Misschien is dat soms ook waar, maar het is een andere kwestie.
Ook als we dankbaar zijn, blijven we verlangen, is wat er is ons niet genoeg.
Zo zitten we blijkbaar in elkaar. Misschien zijn we zo wel geschapen.
Het verlangen, het geen-genoeg-hebben aan wat is, maakt ons tot mens.

Maar dat rupsje dan? Die heeft toch ook nooit genoeg? En een rupsje is geen mens. Nee. En dat blijkt dan ook aan het einde van het verhaal. Rupsje nooitgenoeg blijkt erop gemaakt uiteindelijk een vlinder te worden. En dat verklaart alles. In een interview vertelt de schrijver van het boek, dat precies dit zijn boodschap is aan alle kinderen over de hele wereld die zijn verhaal voorgelezen krijgen: Jij, lief rupsig en begerig mensenkind, jij kunt, jij gaat, op een dag een wonderschone vlinder worden.
Is zoiets ook de boodschap van de bijbel? Eindigt het net zo? Verpoppen alle mensen zich aan het einde van het verhaal om, wonder boven wonder, als een nieuw en geheel ander mens tevoorschijn te komen?
Nee. Zo eindigt dit boek juist niet. Dit boek komt niet verder dan het verlangen. Er is geen vervulling. Er is alleen verlangen naar vervulling. Van begin tot einde. Van alfa tot omega.
En steeds als de definitieve vervulling van het verlangen dichterbij lijkt te komen… gebeurt het toch niet. Ja, soms een beetje of even, om de moed erin te houden, maar nooit helemaal.

Neem Mozes. Hij weet zich geroepen om zijn volk uit het slavenland Egypte te leiden en de weg te wijzen naar het beloofde land. De tocht gaat dwars door de woestijn en duurt een leven lang. Een leven lang verlangen, verlangen en nog eens verlangen. En dan, na meer dan veertig jaren, beklimt Mozes de berg Nebo die, tot op de dag van vandaag, uitkijkt over het brede dal van de Jordaan. Daar aan de overzijde ligt het beloofde land van zijn verlangen. Hij is er na alle ontberingen nu vlakbij. Hij kan de melk en de honing als het ware ruiken. Alleen nog de rivier oversteken. Maar de rivier die Mozes op deze dag zal oversteken is niet de Jordaan, maar de doodsrivier. Wat hem wacht is niet de vervulling, maar het einde van zijn verlangen: zijn dood.
Het verhaal van Mozes vertelt het verhaal van de mens. Wij verlangen een leven lang. En als het verlangen definitief in ons dooft is dat niet omdat het vervuld is, maar omdat we ons einde naderen. Een mens die niet meer brandt van verlangen, is een opgebrand mens, op sterven na dood.

Is dat een verdrietige boodschap? Ik meen van niet.
Leven, leven als een mens, is verlangen. Verlangen is leven. Ophouden met verlangen is sterven. En dus, inderdaad, als er een definitieve vervulling van ons verlangen zou bestaan, dan zou dat welbeschouwd ons einde zijn. Want zonder verlangen geen leven. Geen menselijk leven tenminste.

Waarom is dit zo? Om een antwoord op deze vraag te vinden moeten we in de spiegel kijken en onszelf de vraag stellen: wie zien we daar? Wie ben ik?
Laat ik mezelf, zoals ik wel vaker doe bij gebrek aan beter, als voorbeeld nemen: ik ben onder meer een vader, een vriend en een voorganger. Maar als ik de vraag zo beantwoord, lijkt het of ik iets beschrijf dat als het ware onbetwijfelbaar vastligt in mij, als een gegeven. Maar dat is niet zo. Ja, ik ben feitelijk vader, maar vooral verlang ik ernaar een echte vader te zijn. Zoals ik er ook naar verlang om een trouwe vriend te zijn. Of een wijze voorganger. En die verlangens raken nooit vervuld. Misschien doven ze uit, maar er zal geen moment zijn dat ik kan zeggen: nu ben ik het, nu staat het vast: ik ben een echte vader, een trouwe vriend, een wijze voorganger. Nee, ik wil dat allemaal steeds opnieuw zijn. Ik verlang het te zijn.
Waar komen die verlangens in mij vandaan? Heb ik ze zelf bedacht? Welnee. Ik heb ze opgedaan in het contact met anderen. Vanaf mijn geboorte werd ik bestookt, beladen, bevrucht, bevestigd en gemotiveerd met verlangens. Wees dit, wees dat. Eet nog een hapje! Kruip! Loop! Gooi de stapel blokken om! Aai poes! Wees lief voor je zusje. Leer lezen en schrijven. Schiet die bal erin. Ruim je rommel op. Vertrouw op God. Steel niet. Doodt niet. Houd van Bach. En van The Rolling Stones. Wees jezelf. Denk aan de ander. Maak verre reizen! O nee, toch niet: leef duurzaam.
Er wordt een leven lang van alles en nog wat van ons verlangd. En die verlangens maken wij ons deels en gaandeweg eigen. Dat is een hele klus. Want heel wat verlangens staan op gespannen voet met elkaar. Wat de één van ons verlangt, verlangt de ander juist niet van ons. En sommige verlangens zijn nogal context gebonden. We moeten het allemaal maar zien te begrijpen: Dood niet als het vrede is, maar dood juist wel als het oorlog is. Wees lief voor poes EN eet je gehaktbal op. Laat de ander voor gaan EN laat nooit over je heen lopen. En er zijn ook nog bedenkelijke verlangens die een mens overgedragen kan krijgen: Bijvoorbeeld: Stel mij nooit teleur! Of: cijfer jezelf weg, net zoals je moeder dat altijd heeft gedaan. Sommige verlangens kun je beter van je afschudden, maar makkelijk gaat dat niet. Het ene verlangen wat versterken en het andere wat verdringen of negeren, daar komt het vaak op neer in het leven. Hoe dan ook: we hebben er een dagtaak aan om onze weg in de veelheid en complexiteit van verlangens te vinden. Maar we moeten wel: zo vormen we ons ‘ik’, onze identiteit bestaat uit verlangens. Dat geldt zelfs voor degenen die op min of meer boeddhistisch wijze hun begerende en verlangende ‘ik’ proberen kwijt te raken. Zij verlangen ernaar om op te houden met verlangen. En ook dat is een verlangen.

En zo ontdekken we iets bijzonders aan onszelf. Onze identiteit is geen gegeven, we zijn niet dit of dat, nee, onze identiteit bestaat uit dat wat we verlangen. En wat we verlangen danken we grotendeels aan de ander.
Door iets van elkaar te verlangen, brengen mensen elkaar tot leven, schenken wij elkaar een identiteit. Een ‘ik’ vol verlangen.

Zoals gezegd leven wij momenteel in tijden van teveel. En dat ‘teveel’ zorgt voor problemen. Ecologische problemen en psychische problemen. Waarom doen we geen stapje terug? Waarom niet wat minder hard werken? Waarom niet wat minder bezigheden en wat minder consumeren? Het lijkt zo logisch. Het lijkt zo verstandig. We lijken wel gek dat we het niet doen.
Nee, we zijn niet gek, we zijn alleen een beetje verslaafd. Verslaafd aan de tijdelijk vervulling van onze verlangens. Dat is namelijk heel verleidelijk in tijden van teveel. Wil je naar Bali, dan ga je naar Bali. Wil je Libanees eten, dan ga je Libanees eten. Wil je even weg van alles, dan boek je een stilteretraite. Wil je weten hoe Katja Schuurman er in bikini uitziet, dan google je haar naam met ‘bikini’ erachter.
Geweldig toch om zo te mogen leven? Jazeker, tenzij de vervulling, zoals alle vormen van verslaving, steeds minder lang en goed werkt en dus gaandeweg om meer en meer gaat vragen. Precies dat lijkt mij in deze tijden van veel teveel aan de orde te zijn. Omdat er zoveel vervuld kan worden zijn we verslaafd aan geraakt aan de vervulling. We gedragen ons als rupsjes nooitgenoeg. Maar, helaas, we zijn en blijven, een leven lang rups, ik bedoel: mens. Dat wil zeggen: we worden geen vlinder, we verpoppen ons niet tot iets dat alle zwaarte van het leven overwint. We verlangen wel dat dat gebeurt! Maar het is een onvervulbaar verlangen.

Zou het iets uitmaken, zo vraag ik mij af, als wij dat wat meer zouden accepteren? Als we wat meer zouden kunnen leven met het onvervulbare, bedoel ik… Zou dat onze verslaving naar vervulling wat kunnen temperen? Ik denk eerlijk gezegd van wel.
Maar waar leer je dat? Leven met een onvervulbaar verlangen?
Wel beste mensen, dat leer je hier!
Hier staat ons onvervulbare verlangen centraal. Religie gaat over het onvoorstelbare, het ondenkbare, het onvervulbare. Misschien wel vooral over het allergrootste en aller onvervulbaarste verlangen dat in een mens kan opkomen: het verlangen los te komen van jezelf. Bevrijd te raken van de beperking die je onontkoombaar zelf bent. Dat grote en onmogelijke verlangen zit denk ik dieper en krachtiger in ons dan we durven beseffen en ergens moet er een plek zijn om dit onvervulbare verlangen met elkaar te delen.
Deze plek mag dus niet verloren gaan. En dat zal ook niet gebeuren. Maar helaas zie ik ook in de religie de aandacht steeds meer opschuiven van het onvervulbare naar het vervulbare verlangen. We willen beleven dat het hier en nu al werkelijkheid is: Gods liefde, het eeuwige leven, het hemelse koninkrijk op aarde, het kalifaat... De kerken en moskeeën die in ons land de meeste jongeren trekken prediken een boodschap van vervulling en in de bijeenkomsten moet die vervulling ook beleefd kunnen worden. Want dat spreekt de mensen aan. Natuurlijk. Zo door en door verslaafd zijn we inmiddels.

Maar dit levensboek gaat niet over vervulling, maar juist over het onvervulbare. Ik lees dit boek als een pleidooi voor durend verlangen, voor het delen van een dorst en een honger die niet te stillen valt, voor verhalen over beloofde landen die je nooit zult binnengaan, voor visoenen voorbij de horizon, voor verbeelding meer en verder dan verwerkelijking.

De boodschap van dit boek in onze tijd? Wat dacht je hiervan? Houd op om te denken dat je ooit helemaal jezelf kunt zijn of worden. Houd op om te denken dat er een plek of een mens op aarde te vinden is waar je helemaal thuis zult komen. Hou op om te denken dat je op een dag zult ontpoppen en dat je leven mislukt is als dat niet gebeurt of lukt. Houd er mee op om het te denken, maar houd er vooral NIET mee op om het te verlangen! Want verlangen is leven.
De kinderboekenschrijver heeft in meer dan 100 talen een valse belofte de wereld in gezonden en hij is niet de enige. Duizenden reclamemakers, evangelisten, fundamentalisten en linkse en rechtse believers doen hetzelfde. Ze sporen ons aan om te geloven dat alles vervuld kan worden.
Godzijdank is er een andere boodschap. En die is in nog veel meer talen de wereld in gezonden: onze levensweg is een weg van verlangen, van uitzien naar een ongekende toekomst, van uitzien, over het brede dal van de Jordaan, naar het land van vervulling. Maar zonder het over te steken. God verhoede dat. Het zou ons einde betekenen.
En u en ik verhoeden het dat we al te verslaafd raken aan tijdelijke vervulling en aan het bezweren van de onrust die nu eenmaal bij ons hoort. Want als we daar mee doorgaan in tijden van teveel dan eten, drinken, slikken, reizen, mediteren en feesten we onszelf nog eens dood.
Laten we het kinderboek dichtslaan. En het mensenboek openen. Laten we proberen om te leven met het onvervulbare verlangen dat ons mens maakt. Laten we onderweg gaan naar een bestemming die nooit dichterbij zal komen dan als overzijde. Een land om van te dromen. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar mensen, naar men zegt en hoopt, kunnen ontkomen aan hun eigen zwaarte en als aardse rupsjes hemelse vlinders worden, kortom: een onmogelijke en ondenkbare overzijde.

Mag ik u voor een goede nachtrust een kort verhaaltje voorlezen?

Er was eens een mens die zijn Schepper aan de overkant van de rivier een avondwandeling zag maken. Luidkeels en enigszins wanhopig riep hij: ‘O Schepper, vertel mij: Hoe kom ik aan de overzijde?’ Waarop de Schepper stilhield, glimlachte en met milde maar duidelijke stem over het water schalde: ‘De overzijde? Daar sta je al mensenkind. Ikzelf heb jou daar neergezet.’