Meditatie 22 maart 2020

Johannes 6: 1-15

Zoals vissen in het water zwemmen, zo bewegen wij ons deze weken in onzekerheid, soms in angstige onzekerheid.

Er valt geen simpel, geen eenduidig, helder antwoord te geven op alle vragen, waarmee we door de dreiging van het coronavirus worden geconfronteerd.

Er wordt verschillend gedacht over de besluiten die de overheid in deze situatie nemen moet.

In de Tweede Kamer wordt uitgebreid gedebateerd.

Sommige deskundigen pleiten voor maatregelen die verder gaan dan weer andere deskundigen voorstellen.

Op verschillende plaatsen in de wereld wordt hard en gezamenlijk gewerkt aan de ontwikkeling van een vaccin en van medicijnen tegen het virus.

Hoewel er gelukkig successen worden behaald, ook in ons land, weet niemand, hoelang het nog duurt voordat werkzame middelen voor iedereen bereikbaar zijn.

Het belangrijkste is dat we als samenleving tijd zien te winnen.

Tijd waarin wetenschappers en onderzoekers hun werk kunnen voortzetten.

Deze onzekerheid omspoelt ons ook leven.

Ze roept vragen op die ons bezig houden.

Ze wekt zorgen om onszelf en onze naasten.

Alles wat gewoon en vanzelfsprekend is, brengt ze aan het wankelen.

Met deze onzichtbare, vijandige virus om ons heen, worden alledaagse beslissingen kwesties van aanhoudend wikken en wegen.

Nemen we wel de goede keuzes?

Hadden we voorzichtiger moeten zijn of zijn we te voorzichtig?

Leven met onzekerheid vraagt veel van ons.

Het kan ons uitputten. Het kan ons moedeloos maken.

Het kan ons overvallen met het gevoel dat we op drijfzand staan.

We kunnen het wel, leven met onzekerheid, we zijn er toe in staat, het ligt binnen ons bereik, maar dan moeten we grond onder onze voeten hebben.

We hebben vaste grond nodig, vast land dat ons draagt.

Land dat droog en groen genoeg is, om niet weg te zakken.

Land waar we kunnen gaan zitten om te rusten.

Waar vinden we dat land?

Wie wijst ons dat land?

De leerlingen van Jezus verdrinken in onzekerheid, want ze hebben geen idee, wat ze moeten doen.

Zo veel mensen volgen Jezus, maar wat moeten ze nu?

Waar kunnen ze het brood kopen dat deze mensen nodig hebben?

Ze weten het niet. Werkelijk niet.

Jezus ziet hun onzekerheid en neemt het initiatief.

Hij zegt: “Laat iedereen gaan zitten.”

En Johannes vertelt ons nog:

“Er was daar veel gras en ze gingen zitten.”

Dit detail dat Johannes beschrijft, het detail, dat daar veel gras was op het land dat Jezus aanwijst, dat detail brengt ons naar Psalm 23.

Daar lezen we:

De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.

Hij wijst mij te liggen in grazige weiden, ... in weiden met veel gras.

Terwijl de mensen in het gras zijn gaan zitten en rusten, geeft Jezus hun Zijn gave.

Hij doet niets anders dan wat een Joodse huisvader in Zijn tijd ook zou doen.

Hij dankt God en verdeelt het brood en daarna ook de twee vissen.

Wanneer iedereen is uitgegeten, laat Hij het brood dat overgebleven is, ophalen.

Nog steeds handelt Jezus zoals iedere Joodse huisvader toen zou doen.

Het tafelgebruik in Joodse families was om de stukken brood die niet gegeten waren, weer te verzamelen.

Het wonderlijke is dat er zoveel brood wordt opgehaald, dat er 12 manden mee kunnen worden gevuld.

We zien hier een wonder gebeuren.

Maar niet alleen dat.

We zien hier een wonder gebeuren, dat tegelijkertijd ook een teken is.

Zien we alleen het wonder en niet het teken, dan zien we te weinig.

Te weinig om in onze onzekerheid moed en vertrouwen te vinden.

Als wonder zinkt deze verdeling van het brood weg in het verleden.

Het blijft een mooi verhaal, maar dat was het dan ook.

Zien we alleen het teken en niet het wonder, ook dan zien we te weinig.

We zien dan wel het handelen van Jezus, Zijn doen, maar we zien niet dat het God zelf is, die door Jezus en in Hem handelt.

Over deze God zegt Psalm 23: Hij gaat naast ons, zelfs door het dal van de schaduw des doods.

Zien we het wonder als een teken, dan zien we, hoe God in Jezus naast ons gaat.

Vertrouwen op Jezus is vertrouwen op God.

Dat is wat Jezus ons wil leren.

Hij zegt: “Dit is het werk van God: dat u vertrouwt op Hem die Hij gezonden heeft.” (Joh. 6, 29)

Dit vertrouwen op Jezus, die God gezonden heeft en in wie God naast ons gaat, dit vertrouwen is een zaak van het hoofd, een zaak van het hart, een zaak van de handen.

Vertrouwen op Jezus is een zaak van ons hoofd.

Want het gaat om het inzicht, om het begrijpen dat ons kwetsbaar bestaan van vlees en bloed tegenover voor het mysterie en de majesteit van God staat.

Dit vertrouwen op Jezus, is ook een zaak van ons hart.

Want ons hart is de plaats waar liefde landt en waar de kracht en de troost van de liefde van Jezus bij ons binnenkomen.

En het is een zaak van onze handen, ons vertrouwen op Jezus.

Jezus dankt God voor de 5 broden en de 2 vissen.

Op deze manier, schrijft Henri Nouwen, neemt Jezus deze eenvoudige gaven aan als gaven van de Vader, van God zelf.

Wat van God komt, is genoeg voor alle mensen.

Want dat is typisch God. Dat is Zijn weg.

God geeft altijd meer dan genoeg.

Door Hem kan het weinige dat we geven, genoeg zijn om veel te worden.

In de angstige onzekerheid van deze dagen kunnen we elkaar maar weinig geven.

Maar een mespunt liefde kan te midden van huiselijke spanningen zorgen voor nieuwe verbondenheid.

Een vleugje aandacht kan een muur van eenzaamheid omduwen.

Een greintje goedheid kan een reeks goede daden tot stand brengen.

Want, zo is God.

Wie heeft Hij ons nou eigenlijk gezonden?

Hij zond ons praktisch een niemand, een nobody:

Jezus, kind van een klein en machteloos volk,

een vlieg op de muur in de ogen van Pilatus,

Hij leed en stierf aan het kruis als een vergeten misdadiger.

Maar door deze minste onder de mensen verzoende God met zichzelf een gebroken, angstige en verdrietige wereld.

Verzoening betekent dat onze wereld altijd Zijn wereld blijft.

Rust, troost en moed vinden we, wanneer in het gras gaan zitten bij Christus die God gezonden heeft, wanneer we bij Hem, bij Christus zijn

“in al de pijn waarmee de mensen zijn”. (NLB 561)

Amen.